10 APRIL 2026 – LEVEN UIT DE DODEN

LEZEN: Rom. 11:13-22: … als de wortel heilig is, dan de takken ook … beroem u dan niet tegenover de takken …

De eerstelingen van het deeg zijn de eerste gaven van het koren dat van het land was geoogst. Ze moesten als hefoffer voor de Heere gebracht en zo geheiligd worden (Num. 15:18-21). Daarmee werd al het geoogste koren, al het brood, geheiligd. Dat eerste deeg hoorde bij het hele deeg, zoals de wortel bij de hele boom hoort.

Zowel bij het beeld van eerstelingen als bij het beeld van wortel gaat het om de aartsvaders, in het bijzonder Abraham. Ze zijn heilig, dat wil zeggen: afgezonderd en bestemd voor de Heere en Zijn dienst. Daarom is ook hun nageslacht, het deeg dan wel de takken, afgezonderd en bestemd voor de Heere.

In vers 17 wordt gesproken over de vettigheid of sappigheid van de wortel: de aartsvaders hebben Gods onveranderlijke beloften gekregen waarmee en waaruit hun nageslacht mocht leven: leven uit de doden (vs.15). 

De wortel van deze tamme of edele olijfboom (vs.24) droeg natuurlijke takken (Israël): het volk van God, de kerk van Christus van het Oude Testament. Maar vanwege ongeloof zijn er van deze takken vele afgerukt.

In plaats van deze ongelovige Joden zijn gelovige christenen uit de heidenen aan de kerk toegevoegd: wilde takken die op de vettige wortel geënt werden. Ze kwamen van een wilde (heidense) olijfboom maar horen nu bij de tamme, als Abrahams nageslacht.

Er volgt nu een waarschuwing aan het adres van de christenen die van heidense afkomst zijn. Ze mogen zich niet beroemen tegenover de afgerukte takken. Ze zijn van zichzelf niet beter dan zij. Bovendien:  “U draagt de wortel niet, maar de wortel u” (vs.18); de zaligheid is uit de Joden (Joh. 4:22).

In de nieuwe bedeling vallen deeg en takken samen met allen die geloven in de Heere Jezus Christus als hun Zaligmaker. Dat is een zaak van onverdiende genade, van Gods goedertierenheid. Alle roem is daarmee uitgesloten, ook bij de heidenen.

Bovendien moeten ze zichzelf blijven beproeven in plaats van neerzien op anderen. Als God de afvallige Joden niet heeft gespaard, kan dat bij hen ook gebeuren, als zij niet trouw blijven (vs.21, vgl. 1 Kor. 10:11,12).  Laten ze hen liever tot jaloersheid prikkelen zodat ze behouden mogen worden (vs.14).

Hoe geven we dat “tot jaloersheid prikkelen” vorm?  

Zingen: Ps. 87:1,2

Pdf maken (via Printen)