Eén Herder, één kudde
Maar leert de praktijk niet zien dat dit vaak heel moeilijk is, en dat het zoeken naar andere contacten zomaar stukloopt op meningsverschillen? Laten we dan bedenken waarop de inhoud van zondag 21 is gebaseerd. Dat is wat Jezus ons Zelf leert. Te beginnen met Joh. 10.
Hij Zelf is de goede, de voortreffelijke Herder, die er is voor Zijn schapen. Hij kent zijn schapen, Hij heeft ze lief. Hij weidt ze en Hij beschermt ze. En de schapen merken van hun kant ook op dat hun Herder hen liefheeft: zij luisteren naar Zijn stem en volgen Hem. Maar andere leiders zoals huurlingen en valse herders volgen zij niet.
Verder leert Jezus in Joh, 10 dat Hij als enige Herder, als enig Hoofd, ook echt maar in eén kudde wil hebben. Hij heeft de eerste schapen uit de Joden, uit Gods oude verbondsvolk.
Maar dan komen daar van buiten schapen die er in het verleden niet bij waren, maar Hem op Zijn roep ook willen volgen. Dat zijn gelovigen uit de heidenen. Hij maakt dan geen twee kudden, maar houdt één kudde (Joh. 10:16).
Het is vóór Pinksteren één Herder, één kudde. Het blijft na Pinksteren ook één Herder en één kudde. Omdat de Herder dat zo wil. Hij geeft Zijn leven voor alle schapen die naar Zijn stem horen en zullen horen en vergadert ze in Zijn ene Huis. Zie ook Ef. 2:14-16.
Hoe ver die eenheid gaat en vorm moet krijgen lezen we in Joh. 17, het hogepriesterlijk gebed. In dat wonderlijke gebed bidt Jezus als Hij het Heilig Avondmaal instelt aan de vooravond van Zijn kruisiging. Hij bidt daarin tot Zijn Vader in de hemel. Heel indringend pleit Hij als Hogepriester zoals Hij dit ook nu nog dagelijks doet aan Vaders rechterhand.
Eerst bidt Jezus om de verheerlijking van zijn Vader. Hem komt de eer toe in het volbrengen van Zijn Zoenoffer aan het kruis en in het verlossen van de Zijnen, van Zijn Kerk. Hij bidt ook voor Zijn eigen verheerlijking en voor de verheerlijking van allen die in Hem geloven, Zijn kerk. Vervolgens draagt Jezus Zijn discipelen op die Hij als apostelen zal achterlaten bij Zijn Hemelvaart. Hij bidt of de Vader hen wil bewaren voor aanvallen van de vijandige wereld die ligt in de Boze. En of ze de waarheid van het Evangelie zullen vasthouden (vs. 17).
Volmaakte eenheid
Vanaf vers 21 bidt Jezus of ze met die waarheid ook één mogen zijn in geloof. Hij bidt zelfs voor een heel bijzonder eenheid. Niet maar een eenheid dat ze hetzélfde geloven, maar dat ze aan elkaar verbonden blijven zoals Hij aan Zijn Vader verbonden is.
Jezus wil dit in het gebed nog veel breder doortrekken: Hij bidt ook voor allen die door het woord van de apostelen in Hem zullen geloven, allen die door het Evangelie Hem aannemen als de door God de Vader gezonden Verlosser. Hij bidt dus voor de kerk zoals die verspreid is over heel de wereld. De kerk zoals wij die vandaag kennen.
En Hij zegt daarbij: “opdat zij allen één zijn, zoals U, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zullen zijn, opdat de wereld zal geloven dat U Mij gezonden hebt. En Ik heb hen de heerlijkheid gegeven die U Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, zoals Wij één zijn; Ik in hen en U in Mij opdat zij volmaakt één zijn”.
De eenwording waarvoor Jezus bidt beperkt zich dus niet tot eenheid op papier, ook niet tot eenheid in gedachten, of gezamenlijke aanwezigheid op conferenties. Nee, Jezus bidt vurig om een volmaakte eenheid, een eenheid zoals die gezien wordt bij Vader en Zoon. Een eenheid waarin de heerlijkheid van Christus door Zijn Geest te zien is.
Eén lichaam
Paulus geeft in meerdere brieven uitgebreid aandacht aan die volmaakte eenheid. Bijvoorbeeld in Rom. 12. Daar spreekt hij over het lichaam met zijn vele leden en verschillende genadegaven. In 1 Kor. 12 werkt hij dit verder uit: Het is één lichaam waarin de ene Heilige Geest werkt met verschillende gaven. Ook in Ef. 4 wordt dit beeld van het ene lichaam van Christus de gemeente voorgehouden. Zij wordt opgeroepen om de eenheid van de Geest te bewaren door de band van de vrede, één lichaam, één Geest, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die boven allen en door allen en in allen is.
Van Christus als het Hoofd uit wordt het hele lichaam samengevoegd en bijeengehouden door elke band. Zo verkrijgt het lichaam zijn groei, tot opbouw van zichzelf in de liefde.
In zo’n gemeente wordt in liefde de waarheid vastgehouden en groeit de gemeente als eenheid toe naar Christus, het Hoofd.
Ook buiten de plaatselijke gemeente is er eenheid tussen gemeenten onderling. Zeg maar de eenheid van kerkverband, en de eenheid van zusterkerken. In de tijd van de apostelen werd die eenheid onderhouden door de reizende apostelen zelf. Er is meeleven op afstand wanneer er financiële nood was. Er reizen dan ook medewerkers van de apostelen zoals Timotheus en anderen naar de verschillende gemeenten, om daar dienstbaar te zijn.
In Jeruzalem wordt voor alle gemeenten verspreid over meerdere landen een bijeenkomst, een convent gehouden, zie Hand. 15. Daar worden in het belang van eenheid in de waarheid Bijbelse richtlijnen opgesteld voorde onderlinge omgang van christenen uit Joden en christenen uit de heidenen.
Voor de eenheid in de waarheid komt alles voort uit Jezus Christus want Hij is de ene Herder, het ene Hoofd. De eenheid in en met Hem moert zich voorzetten in Zijn lichaam: Zijn kerk, met het kerkverband en alle buitenlandse contacten. Dat is ook het beeld van Openb. 1, waar Johannes Christus ziet wandelen temidden van zeven kandelaren, de zeven gemeenten, dat is Zijn kerk van alle plaatsen en tijden.
(wordt vervolgd)
