LEZEN: Luk. 7:11-17: … en de dode ging overeind zitten en begon te spreken … en zij verheerlijkten God …
Na het wonder van de genezing van de knecht van de hoofdman loopt Jezus weer met Zijn discipelen en een grote groep mensen naar een andere stad, vele uren verwijderd van Kapernaüm. Juist als Hij deze stad binnengaat komt er een begrafenisstoet door de poort. Uit wat er volgt mogen we afleiden dat dit zeker geen “toeval” is, als er al toeval bestaat. Het is toch de Heere God Die alles bestuurt?
De overledene is de enige zoon van zijn moeder, die weduwe is. Zij komt er nu alleen voor te staan. Heel wat mensen lopen mee met de stoet. Jezus ziet de vrouw, die daar huilend achter de lijkbaarvan haar zoon loopt en heeft diep medelijden met haar.
Als Jezus dan uit Zichzelf zegt: “Huil niet”, zal ze dat niet direct begrepen hebben. Wat en wie kan haar intense verdriet nog verzachten? Haar kind is dood, dat is definitief. Dan kan iedereen zien. Ze zal ook niet de enige zijn die hier huilt.
Maar Jezus wacht niet, maar gaat direct over tot handelen: Hij loopt naar de lijkbaar en raakt deze met Zijn handen aan terwijl de dragers stilstaan. En dan komt Zijn bevel: “Jongeman, Ik zeg u, sta op!”.
Onmiddellijk gebeurt er een groot wonder, nog groter dan de genezing van de knecht van de hoofdman: de dode wordt levend, komt overeind en gaat zelfs spreken!
Zo’n wonder heeft zich na het optreden van Elia (1 Kon. 17:17-24) en Elisa (2 Kon. 4:32-35) tot dan toe niet meer vertoond. In die twee gevallen was God Zelf de handelende Persoon. Jezus toont opnieuw Zijn goddelijke macht, waarmee Hij nu de dood overwint. Jezus geeft de zoon terug aan zijn moeder met vergelijkbare woorden als Elia en Elisa dat deden.
Toch zijn er verschillen: Jezus doet dit zonder veel beweging en vurige gebeden zoals Elia en Elisa dat deden. Rustig en waardig spreekt Jezus Zijn woorden.
Het effect bij de vele mensen is diepgaand: ze staan verbijsterd over dit goddelijk wonder. En dan verheerlijken ze God in deze machtige en liefdevolle daad en erkennen Jezus als “een” groot Profeet. Maar nog niet als dé grote Profeet, de “Vorst van het leven” (Deut. 18:15, Hand. 3:5).
Waarom moeten wij over deze wonderen lezen?
Zingen: Ps. 68:8
