Waarheid en recht als grond voor eenheid 4 – Niet-gesloten avondmaal (1)

In deze reeks artikelen wordt aandacht besteed aan de toelating en het bewaken van het Heilig Avondmaal. Dat was een belangrijke grond voor de vrijmaking van LRCA in 2007.

Voor een goed inzicht is het goed om eerst meer algemeen te spreken over toelatingsbeleid en bewaking van het Heilig Avondmaal, zoals dit overeenkomstig de Schrift, de Gereformeerde belijdenis en de Gereformeerde kerkorde zou moeten zijn.

De term open avondmaal wordt in Nederland meestal gebezigd voor een avondmaal dat ook voor anderen dan de gerechtigde eigen leden en leden van zusterkerken (met attestatie, art. 60 KO) openstaat. Deze anderen kunnen niet aangaan bij het bij ons gebruikelijke gesloten avondmaal. Er is ook een andere indeling nl. open – beperkt – gesloten. Open betekent dan dat iedereen die wil, aan mag gaan. Beperkt betekent dat je op z’n minst een belijdend lid van een (evangelische) kerk moet zijn om deel te nemen en dat daarbij meestal enige controle is van de kerkenraad. Gesloten avondmaal is zoals bovengenoemd alleen voor de gerechtigde leden van eigen kerk of zusterkerk (met attestatie, art. 60 KO).

Verder is een belangrijk element bij de toelating hoe je de kerk ziet. Als zichtbare kerk die voldoet aan de kenmerken van de ware kerk (art. 29 NGB) of eerder als onzichtbare kerk die in allerlei verschillende kerkgenootschappen is te vinden (Westminster Confessie). Dat heeft invloed op de toelating van het Heilig Avondmaal. Zeker bij Presbyteriaanse kerken komt je de kerkvisie tegen van het denominationalisme dat uitgaat van een onzichtbare kerk (zie ook de voorgaande artikelen over binding aan de belijdenis in deze rubriek).

De vraag is of wij zelf daarover wel allemaal gelijk denken. Vandaar dat ik begin met een tweetal artikelen die breder handelen over de verhouding kerk en avondmaal juist in verband met wat de praktijk is in de Orthodox Presbyterian Church (OPC). De artikelen zijn geschreven in 1986 door prof. J. Geertsema van de Canadian Reformed Churches. Hij verwijst naar onder ons bekende Nederlandse gereformeerde auteurs.

*          *          *          *          *          *          *          *       *       *       *       *       

Zijn we sektarisch met een gesloten Avondmaalstafel?

Door Prof. J. Geertsema.    Uit: Clarion, Volume 35, No. 6, 21 maart 1986.
(Vertaling S. de Marie)

1. Inleiding
De lezer is bekend dat er drie verschillende manieren zijn waarop het Avondmaal wordt bediend: aan een gesloten tafel, aan een beperkte tafel en aan een open tafel. 

Een open tafel (vet SdM)betekent dat elke persoon die de dienst bijwoont waarin het Avondmaal wordt bediend en die wil deelnemen, wordt uitgenodigd om dit te doen.

De beperkte tafel (vet SdM) betekent dat iedereen die een belijdend christen is en wil deelnemen, in principe toegestaan is om dit te doen. Er is echter deze beperking, dat de kerkenraad toestemming moet geven. Deze toestemming kan vooraf worden verkregen in een interview waarin de kerkenraad vaststelt dat de persoon die met de gemeente wil deelnemen, werkelijk een belijdend christen is, een kerkelijk lid van goede reputatie, die niet in zonde leeft. De beperking kan meer of minder streng zijn. Een kerkenraad kan beslissen dat in principe elke belijdend christen is toegestaan, maar kan ook bepalen dat de belijdend christen het geloof moet belijden zoals aangenomen door die kerk in haar geloofsbelijdenissen en confessies, of in ieder geval in haar belangrijkste leerstellingen.

De derde manier, die van een gesloten tafel (vet SdM), betekent dat deelname alleen is toegestaan aan de avondmaalsleden van die lokale kerk die niet onder tucht staan, of aan avondmaalsleden van een van de zusterkerken die een attestatie bij zich hebben van hun thuisgemeente. Ook hier kan een kerkenraad meer of minder streng zijn.

Er zijn geen problemen rond de “open tafel”. We zijn het er allemaal over eens dat een open tafel in strijd is met de Schrift. Als ik me niet vergis, was de praktijk in onze kerken in het verleden voornamelijk die van de gesloten tafel. Er is echter geen unanimiteit meer met betrekking tot het aanvaarden van de gesloten tafel. Sommigen zijn sterke voorstanders van de beperkte tafel en voeren zelfs het argument aan dat kerken met een gesloten tafel sektarisch zijn of neigen naar sektarisme.  Het is daarom goed dat we aandacht besteden aan deze kwestie en onszelf afvragen of wij, met onze praktijk van een gesloten tafel, echt sektarisch zijn. Laten we echter eerst luisteren naar enkele stemmen uit het verleden en het heden.

2. Dr. H. Bouwman, “Gereformeerd Kerkrecht”
Wanneer wijlen Professor H. Bouwman, in zijn boek Gereformeerd Kerkrecht, II, pp. 386ff., schrijft over degenen die deelnemen, zegt hij allereerst met betrekking tot de leden van hun eigen gemeente dat “de kerk niet in de harten kan lezen en haar leden beoordeelt op basis van uiterlijke kenmerken, namelijk belijdenis en levenswandel. Het staat volwassen leden van de gemeente toe aan de tafel die instemmen met de belijdenis van de kerk en van wie het leven onberispelijk lijkt. En het schorst, volgens het gebod van Christus, ‘hen die door hun belijdenis en leven laten zien dat zij ongelovig en goddeloos zijn’, van het Heilig Avondmaal.”

Wanneer Bouwman zich bezighoudt met de vraag “Wat moet er gebeuren wanneer vreemden willen deelnemen aan het Avondmaal?,” schrijft hij: “De regel moet zijn dat alleen leden van de kerk deelnemen aan het Avondmaal, terwijl zij die hun wens kenbaar maken om zich bij de kerk aan te sluiten, in speciale gevallen toestemming kunnen krijgen. Het is absoluut noodzakelijk dat degenen die naar het Avondmaal komen zich onderwerpen aan het toezicht en de discipline van de kerkenraad, omdat anders het recht en de roeping van de kerkenraad om het Heilig Avondmaal heilig te houden, van haar worden weggenomen.

Voor zover ik het begrijp, spreekt Bouwman hier over iemand die zich wil aansluiten. Hij bedoelt te zeggen dat als een persoon bezig is met het proces van aansluiting en ontvangst als belijdend lid van de kerk, terwijl bepaalde zaken een conclusie vertragen, een kerkenraad kan besluiten om zo iemand toe te laten tot de Tafel van de Heere voordat hij officieel lid is.

Bouwman gaat niet dieper in op de speciale gevallen. Hij geeft geen voorbeelden. Dat maakt het moeilijk om hem te volgen. We kunnen ons bijvoorbeeld afvragen hoe iemand zich kan onderwerpen aan het toezicht en de discipline van de kerkenraad terwijl hij tegelijkertijd nog niet klaar is om lid te worden? Daarom is het beter te zeggen dat iemand die zich wil aansluiten eerst lid moet worden en als lid van dat lichaam ook met de gemeente kan deelnemen aan het Avondmaal van de Heer.

Bouwman zegt het volgende over degenen die echt gasten zijn. ‘Gasten’ werden altijd toegelaten door de kerk, op voorwaarde dat ze werkelijk gasten zijn, dat wil zeggen, leden van andere christelijke kerken waarvan de belijdenis voldoende overeenkwam met die van henzelf, en op voorwaarde dat ze een geldige reden hebben die hen ervan weerhoudt om het Heilig Avondmaal in hun eigen kerk te vieren. In vroeger dagen gebeurde dit vooral met de Lutheranen die verbleven op plaatsen waar geen Lutherse Kerk was, maar alleen een Gereformeerde, en vice versa. Maar de kerken hebben altijd gezien dat het noodzakelijk was dat in zulke gevallen het nodige toezicht volledig werd gehandhaafd.”

Bouwman voegt toe: “In Nederland, waar mensen altijd de mogelijkheid hebben om zich aan te sluiten bij een van de Gereformeerde Kerken, is de behoefte aan een dergelijk toezicht nog urgenter… .” Hij spreekt over een betrouwbare getuigenis, wat naar mijn mening een attestatie moet betekenen. In de vroege dagen van de Reformatie, toen gereformeerde en lutherse mensen werden vervolgd, mochten ze vaak deelnemen aan het Heilig Avondmaal in elkaars kerken, maar het gebeurde ook dat deze toelating werd ingetrokken.

In dit verband wijzen zij die een beperkte Tafel gunstig achten vaak op het feit dat Professor K. Schilder, toen hij in Duitsland studeerde, deelnam aan de viering van het Heilig Avondmaal in een Lutherse Kerk. Hierbij kunnen we opmerken dat iets niet automatisch goed is omdat K. Schilder het zei of deed.

Bouwman informeert zijn lezers ook over de situatie in de kerken van de Afscheiding (1834) en die van de Doleantie (1886). Het gebeurde vaak, schrijft hij, “dat leden van andere kerken die de diensten in deze kerken bijwoonden, maar om welke reden dan ook niet durfden of wilden toetreden, vroegen om deel te nemen aan de viering van het Heilig Avondmaal, en een paar keer toestemming kregen.” Bouwman geeft dan deze opmerking: “Het is goed dat de kerkenraad zulke christenen niet afwijst, mits ze altijd probeert hen te overtuigen van de abnormaliteit van de situatie.”

We sluiten ons luisteren naar wat Bouwman zegt af met een citaat van p. 558 in hetzelfde deel, waar hij spreekt over de noodzaak van een belijdenis. Bouwman schrijft daar: “De eenheid in het kerkelijk leven vereist eenheid in belijdenis en kerkelijke organisatie. Anders is samenwerking praktisch onmogelijk. Er is een hogere eenheid, namelijk de eenheid in Christus.

Een kerk in een bepaalde regio of land mag deze eenheid nooit over het hoofd zien, omdat ze anders het gevaar loopt om een sektarische kring te worden. In de diepste zin is er een eenheid tussen christenen over de hele wereld, hoe verschillend en divers ze ook mogen zijn in de uiting van hun geloof. Eén Heer, één geloof, één doop. Allen wiens hoop en geloof in Christus geworteld zijn, zijn één in Hem. Maar in de opvattingen en visies over zoveel dingen is er een diep verschil. Neiging, karakter, opvoeding, ras, geschiedenis en klimaat zijn deel van de oorzaak van deze verschillen. Dit verklaart de pluriformiteit in de ene christelijke kerk.”

Bouwman spreekt ook over de onzichtbare kerk, zijnde alle gelovigen waar ze ook zijn.

Tot een voorlopige conclusie komend over het standpunt van Bouwman,
kunnen we zeggen dat er een verband bestaat tussen zijn visie op de onzichtbare, pluriforme kerk met haar hogere eenheid in Christus en de gemakkelijke acceptatie van gasten uit andere denominaties aan de Tafel van de Heere. Bouwmans concept van een hogere eenheid die kerkmuren overstijgt, vormt de basis voor zijn visie op de toelating van leden van andere kerken tot de viering van het Heilig Avondmaal, zelfs wanneer er geen zuster- of andere relatie is met zo’n kerk.

Een ander punt waar ik de aandacht voor vraag, is het feit dat Bouwman met nadruk aangeeft dat “het absoluut noodzakelijk is” dat vreemden die als gasten worden toegelaten “zich onderwerpen aan het toezicht en de discipline van de kerkenraad,” en verder dat hij de situatie waarin een kerkenraad mensen van andere denominaties toelaat die om welke redenen dan ook zich niet bij de gemeente hebben aangesloten, “abnormaal” noemt.”

                                                                                                                (wordt vervolgd)

Pdf maken (via Printen)