LEZEN: 1 Sam. 3:1-11: … Samuel diende de HEERE onder toezicht van Eli. Het woord … was schaars in die dagen; er was geen visioen dat in de openbaarheid kwam … Toen kwam de HEERE en bleef daar staan; en Hij riep zoals de andere keren: Samuel, Samuel! En Samuel zei: Spreek, want Uw dienaar luistert. De HEERE zei tegen Samuel: Zie, Ik ga iets doen … waarvan bij ieder … de beide oren zullen tuiten.
Deze bekende geschiedenis van de jonge Samuel speelt zich af tijdens een dieptepunt in de heilsgeschiedenis van Gods volk. Hoewel er nog wel offers worden gebracht, ontbreekt het aan gelovig inzicht en heilige ernst. Het is meer een traditie. Daarnaast ontbreekt tucht.
Op deze vervlakking van het verbond en eigenwilligheid volgt de reactie van de HEERE in vers 1: “Het Woord van de HEERE was schaars in die dagen; er kwam geen visioen openbaar” (vs.1) Wanneer Gods Woord blijvend wordt verworpen of genegeerd, trekt de HEERE Zich actief terug uit Zijn kerk. Dan dreigt Israël Gods goedgunstigheid te verliezen, net als dat gebeurde in de tijd van Achaz (Jes. 8:16) en van de ballingschap (Jer. 2:9).
Maar God gaat nu verlossend ingrijpen door de jonge Samuel. Na Hanna’s opvoeding wordt hij verder onderwezen door Eli. Zij leven, werken en slapen in de tent van ontmoeting, waar de HEERE Zelf aanwezig is. Laat in de nacht roept de HEERE Samuel, die onmiddellijk antwoordt: “Zie, hier ben ik”. Snel gaat hij naar Eli toe, want hij kent Gods roepstem niet (vs.7). Pas bij de derde keer begrijpt Eli het: het zal de HEERE zijn die Samuel roept.
Het zal Eli verrast hebben: Niet hij, de hogepriester, wordt geroepen, maar zijn jonge leerling! Dan komt de HEERE, blijft staan en roept opnieuw Samuel: “Samuel, Samuel” (vs. 10). Er is dus zelfs een blijk van Gods aanwezigheid! God wil Samuel dit laten weten ter bemoediging. Dan spreekt Samuel gehoorzaam in geloof de bekende woorden: “Spreek, want Uw dienaar luistert.”
Zo laat de HEERE een onuitwisbare indruk achter bij de jonge Samuël. Laat hij deze houding vasthouden!
Hoe luister jij naar de preek?
Zingen: Ps. 74:6,8
