LEZEN: Hos. 6:7-11: Zíj hebben echter als Adam het verbond overtreden. Daar hebben zij trouweloos gehandeld tegenover Mij. … onrecht, … bloedsporen, … moorden … afschuwelijke dingen … hoererij … verontreinigd. Ook voor u, Juda, is een oogst weggelegd, wanneer Ik een omkeer breng in de gevangenschap van Mijn volk.
Als kennis en liefde ontbreken, is het gedaan met het leven in het verbond. Dan wordt het verbond trouweloos overtreden. En de zonden niet beleden. Dan volgt verharding in die zonden. Het grote gebod om God alleen lief te hebben wordt dan met handen en voeten overtreden. Laat staan dat men God dan nog op een Hem welbehaaglijke wijze zal kunnen dienen (tweede gebod). Dan regeren haat, toorn, kwaadsprekerij, gewelddadigheid, ontucht en echtbreuk.
Onze tekst maakt duidelijk hoezeer God dit verafschuwt. Hosea moet het volk zo aanzeggen: “maar zij hebben als Adam het verbond overtreden; daar hebben ze trouweloos gehandeld tegenover Mij.”
De HEERE had in het paradijs met Adam een verbond van liefde gesloten. Adam mocht beeld van God zijn. Wat had God hem veel geschonken! Een volmaakt lichaam en een volmaakte ziel, een volmaakte vrouw als hulp, een volmaakte schepping om in te leven en te werken. Het enige dat de HEERE van Adam vroeg was hartelijke verbondsgehoorzaamheid. Maar Adam toonde hoogmoed en ondankbaarheid. Hij overtrad het verbond trouweloos.
Zo hebben nu ook de Israëlieten gehandeld. Zij waren in genade tot Gods verbondsvolk verkozen, door Hem uitgeleid, gekoesterd, en overladen met de schatten van het beloofde land. Maar ook zij verlieten hun Verbondsgod, hun Maker en Man, en begingen afschuwelijke dingen.
Hoe vaak zijn ze niet door de HEERE gewaarschuwd en teruggeroepen van hun schandelijke wegen. Steeds lieten deze kinderen van Abraham zich meer als kinderen van Adam kennen. Gods straf komt.
Maar zie hoe groot Gods genade nog is: “Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van Mijn volk”.
Wanneer zijn wij als kerkleden ‘trouweloos’?
Zingen: Ps. 5:6,9
