Prachtig verpakt
De kerk is een onlosmakelijk deel van ons geloof. Van het geloof in het vaste en betrouwbare Woord van onze God. Dat zagen we in het vorige artikel.Toch, alle
eeuwen door, en nog nooit zo sterk als in onze tijd, een periode in de steeds heftiger wordende eindtijd, is geprobeerd om de kerk los te maken van het geloof. Om de helderheid van Gods Woord op het punt van de kerk te verdoezelen. En om te vormen tot iets algemeens, iets vaags. Iets wat moeilijk of helemaal niet concreet aan te wijzen is.
Zeggen dat je zeker weet dat je lid bent van de kerk van Christus, dat je gelooft dat “jouw” kerk de kerk is waar Christus de zijnen roept? Andere gemeenschappen bestempelen als “valse”, dat is onwettige, niet of niet meer door Christus geroepen kerken? Dat kan toch niet? Dat wordt afgestraft als hoogmoedig en arrogant. En ook nog eens als eng en dom. Er is één geloof, natuurlijk, daar kunnen we niet omheen, maar dat geloof vertaalt zich in veel kleuren en in veel verschillende kerken. Of, als ons dat toch wel wat te ver gaat, om zo te spreken, dan toch wel zichtbaar in tenminste ènkele kerkgenootschappen. Die, zo zeggen we dan, toch wel héél dicht bij ons staan ….. Zo krijgen we steeds maar weer te horen. De ene keer luid en duidelijk. De andere keer verpakt in uitvoerige theorieën.
Dat is dus in feite gewoon de leer van de pluriformiteit. De praktijk van het denominationalisme in de Engels sprekende landen. We zijn helaas niet één kerk, maar we zijn wel één in het geloof. Maar mensen beléven dat geloof verschillend en voelen zich soms beter thuis in een andere kerk ….. Zo luidt de boodschap. De buitengewoon schadelijke boodschap. Want het klinkt altijd goed en aantrekkelijk en verstandig en het wordt altijd aangeboden in prachtige cadeauverpakking.
Wapenen
Maar zien we wat er dan werkelijk gebeurt? Eén geloof, maar verschillende kerken?
Dan kan de conclusie niet anders zijn, dan dat de kerk dus géén geloofszaak zou zijn.
Maar dat is innerlijk tegenstrijdig. Dan zou het negende artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis niet juist zijn. Dan zou Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus herzien moeten worden. Dan zou er in de artikelen 27, 28 en 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis nogal wat moeten worden geschrapt. “Ik geloof één kerk….” Nee, dat uit te spreken wordt dan een leugen.
Die dwaalleer probeert voortdurend vaste voet te krijgen in de kerk. Vanaf de Vrijmaking van 1944 hebben we daar voortdurend tegen moeten strijden. Al heel snel, in de jaren vijftig, rond de zgn. “Bos-acties”. In de jaren zestig, toen het ging over de “Open Brief”. In de jaren tachtig, toen het GPV en het Gereformeerd Gezinsblad op de helling gingen. Op de interkerkelijke helling. Het speelde een belangrijke rol in de nieuwe vrijmaking in 2003. En het spreken over bijv. “kerkkeuze” alsof er meerdere mogelijkheden zijn, heeft brede ingang gevonden en vindt gedachteloos plaats. Ook in onze kerken vandaag helaas.
Ja, we zijn er ook zo gevoelig voor. Want “kerkelijke eenheid” is zo aantrekkelijk. En de duivel zet zijn aanval voortdurend in op de zwakste plekken. Klein zijn en in het isolement leven (we hopen daar later nog over te schrijven), dat voelt echt niet aantrekkelijk. En daar moeten we voortdurend op bedacht zijn. En onszelf daartegen, tegen negatieve gevoelens over grootte en invloed, wapenen, met Gods hulp.
”Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid …” (Ef. 6:14)
Persoonlijk getuigenis
De kerk is een zaak van geloof. Van persoonlijk geloof. In het laatste deel van antw. 54 getuigen we: ” En ik geloof dat ik van deze gemeente een levend lid ben en eeuwig zal blijven.”
Toen we in het openbaar belijdenis van ons geloof deden stemden we met dit getuigenis in. Als er een doopsbediening plaats vindt, en als we het Heilig Avondmaal vieren, herhalen we het.
Door lid te zijn en te blijven van de kerk, door ons op zondag te laten roepen tot de woordbediening, bevestigen we het.
Ik ben een levend lid van Christus’ kerk. Ik geloof dat Hij mij hier roept. Ik geloof dat allen die zeggen dat ze geloven hier ook horen te komen. Ik geloof dat leden van andere kerkgenootschappen ongehoorzaam zijn aan de roepstem van Christus.
Dàt is “ik gelóóf een heilige, algemene, christelijke kerk”.
Niet gemakkelijk
Het zal duidelijk zijn dat we over de kerk dan ook, we zeiden het al, met de nodige voorzichtigheid moeten spreken. We moeten er voor waken niet te snel ondoordachte uitspraken te doen. We horen nog wel eens uitspraken als: Heb ik me daarvoor vrijgemaakt? Dan had ik net zo goed in de GKv kunnen blijven! Of: Als dit of dat gebeurt, dan moet ik er toch eens ernstig over denken of ik nog wel lid van deze kerk kan blijven! Misschien moet ik nu wel naar de HHK! Zulke uitspraken worden gedaan in teleurstelling en boosheid. En het gaat dan bijna altijd over woorden en daden van broeders en zusters.
Maar ook steeds meer: waarom zo moeilijk doen? DGK en GKN zijn toch gewoon al één? Ja, formeel nog niet. Maar dat is toch niet erg? Waarom duurt de besluitvorming over hereniging zo lang? We kunnen toch alvast wel met elkaar beginnen?
Misschien begrijpelijk. Maar wel verkeerd. Want we gelóven immers de kerk? Eén heilige algemene christelijke kerk? We kwamen immers niet uit onszelf? We lieten ons toch roepen en trekken door de Heere? Met de kerk kunnen we niet spelen. Met de kerkelijke eenheid kunnen we niet gemakkelijk omgaan. Met het verlaten van de kerk kunnen we niet dreigen. Want dan spelen we met ons geloof. De kerk kun je zomaar niet verlaten. Ten diepste kunnen we de kerk nóóit verlaten. En ook niet zómaar, op gevoel, naar eigen wens, samen gaan met anderen. Of, ook al zijn we (nog) niet één, op kerkelijke wijze samenwerken.
(wordt vervolgd)
