LEZEN: Jes. 2:1-5
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE … Want uit Sion zal de wet uitgaan en het woord van de HEERE uit Jeruzalem … – Jes. 2:3
De eerste openbaring die God aan Jesaja geeft, eindigt in een ongekende belofte (1:27): het Sion (Jeruzalem) van Jesaja’s dagen zal ondanks corruptie, onrecht en overspel, toch mogen uitzien naar verlossing van de kant van de HEERE. Er zal in het nieuwe Sion weer herstel van recht en gerechtigheid komen.
Nu volgt de tweede openbaring over Juda en Jeruzalem. Die begint met een profetie over “de laatste der dagen”. Dat is de tijd die aanbreekt met Pinksteren en uitloopt op de wederkomst met het laatste oordeel (Hand. 2:17v). Christus vergadert na Hemelvaart en Pinksteren Zijn kerk uit alle volken op weg naar de voleinding.
Jesaja zegt daarvan: dan zal de berg van het huis van de HEERE vast staan als de hoogste van de bergen. De kerk is in die tijd de belangrijkste plaats op aarde. Daar woont de HEERE Zelf. Buiten haar is geen zaligheid. Daar wordt de waarheid van God vastgehouden, bediend en uitgedragen (1 Tim. 3:15). Het Evangelie gaat uit naar alle volken. Gelovigen voegen zich bij de kerk (Gen. 17:4; Matt. 28:19; art. 27,28 NGB). Ze gaan op naar het huis van de God van Jakob en roepen anderen op om dat ook te doen (vs. 3).
Art. 28 NGB zegt: Ze bewaren de eenheid van de kerk en onderwerpen zich aan haar onderwijzing en tucht en willen hun hals buigen onder het juk van Christus. God Zelf is het Die daar met Zijn Woord onderwijst over Zijn wegen (vs. 3; art. 29 NGB).
Predikers zullen daarom betrouwbaar moeten zijn en Gods Woord onvervalst en onverkort preken. Gods wegen betreffen naast Gods leer van de volkomen verlossing in Christus, ook het gelovig leven daaruit. Het onderwijs daarover staat in heel Gods Woord. Daar mag niets van worden afgedaan en niets aan worden toegevoegd.
Dit Evangelie brengt de ware vrede. Eerst in Gods huis en vandaaruit ook daarbuiten. Dat zal pas volmaakt zijn bij Christus’ wederkomst.
Roepen wij anderen op om mee te gaan naar de kerk?
Zingen: Ps. 122:1
