LEZEN: Jes. 2:22-3:15
Zie voor uzelf dan af van de mens – in zijn neus heeft hij slechts adem – want als wat is hij eigenlijk te beschouwen? – Jes. 2:22
Juda en wij krijgen het goddelijke advies om van de mens en zijn werken af te zien. Om niet op de mens te bouwen. Het is verleidelijk om in de gunst van mensen te staan. Bijvoorbeeld de wijsheid, opinie en gewoontes van mensen te volgen. Dat kan menslievend lijken, maar God oordeelt anders als het wijsheid van mensen betreft die van Zijn Woord afwijkt. Als je meegaat in zulk menselijk denken, kun je God kwijt raken. Het probleem is dat het veilig lijkt, als weg van de minste weerstand. Je hebt minder afkeuring of vijandschap te duchten. Maar besef dat je daarbij tegen God kiest en vóór afgoden. Gods oordeel komt daarover.
In de tijd van Israël en Juda beproeft God Zijn volk er vaak op of ze wel steeds op Hem blijven hopen, vertrouwen en bouwen. Soms gebruikt Hij daarvoor een inval van een vijandelijk leger. Zullen ze dan hun hoop op Hem stellen, of in plaats daarvan naar menselijke bondgenoten zoeken?
Ook beproeft God hen erop hoe ze omgaan met de afgoden van de volken. Gaan ze die dienen om bij hen in het gevlei te komen, of doen ze die weg in trouw aan God (Richt. 3:1-4)?
Jesaja plaatst het vertrouwen in de mens tegenover het geloofsvertrouwen in God de almachtige Schepper (2:22). Wat is de mens vergeleken met Hem? De mens heeft van God de adem ontvangen. Hij kan niet zelfstandig voortleven. Eens zal de mens sterven en vergaan zijn plannen. Vertrouw daarom alleen op God!
God zal de leiders die Hem verlaten, alles ontnemen aan rijkdom en macht (3:1-12). Want ze verdienen niet anders vanwege hun zonden. In hun plaats komen onervaren mensen, zodat land en volk tot chaos worden. Waar de leiding van Gods volk het af laat weten en voor Gods ogen spreekt en handelt tegen Zijn Woord, wordt God getergd en komt Zijn gericht (vs.7,8). De goddeloze zal het slecht vergaan, maar de rechtvaardige die op God blijft vertrouwen, zal het goed gaan (vs.10,11).
Mag je jaloers zijn op grote volle kerken?
Zingen: Ps. 118:2
