In het vorige artikel hebben we vastgesteld dat katholiciteit alleen de ware kerk betreft die Christus volgt in Zijn kerk-vergaderend werk. Dit werk van Christus speelt zich af over heel de wereld en gaat voort tot aan de jongste dag. Wij hebben verantwoordelijkheid in het gehoorzamen van Christus door ons door Hem te laten vergaderen, de gemeente te bouwen, en de waarheid in de eenheid van het lichaam van Christus te bewaren. Daarnaast door anderen te benaderen om ook met hen de eenheid in de waarheid van het lichaam van Christus te hebben. Voorwaarde daarbij is steeds dat we alles gehoorzaam blijven toetsen aan de kenmerken van de ware kerk. Dat vraagt nauwgezetheid en alle zorgvuldigheid: niets mag afwijken van het zuivere Woord van God (art. 29 NGB).
Dynamiek
Prof. K. Schilder heeft in zijn leven heel veel nadruk gelegd op de verbondsgehoorzaamheid aan Christus bij Zijn kerk-vergaderend werk. In zijn brochure Ons aller moeder” heeft hij zich gekeerd tegen de volkskerkgedachte van de Nederlands Hervormde Kerk dat een statisch kerkbegrip inhield. Met dat begrip werd verdedigd dat wat eenmaal Christus’ kerk is, Zijn kerk blijft, ook als daar ernstige afwijkingen insluipen en vestigen. Zo’n kerk is dan als een zieke moeder, die je niet mag verlaten.
Daartegenover stelde prof. Schilder het dynamische kerkbegrip: Je zult je moeten afscheiden van een kerk die niet voldoet aan de kenmerken van de ware kerk, en door middel van afscheiding deze kerk voortzetten. Pas dan ben je gehoorzaam aan Christus als Hoofd van Zijn kerk en niet aan een gegeven instituut. Zo gaat Christus verder met Zijn kerk-vergaderend werk.
De genoemde dynamiek betekent dus voortgang van Christus’ werk door middel van het gehoorzame antwoord op Zijn roeping. Dat gehoorzame antwoord betekent afscheiden en vrijmaken van hen die niet tot de kerk behoren in geval van blijvende afval van de zuivere leer en handhaven van de leugen.
De dynamiek van Christus’ werk komt ook uit in het gehoorzaam reformerend bezig blijven binnen Zijn kerk. Dat houdt in dwalingen en leugens ontmaskeren en verwerpen. Dat vraagt voortdurende inzet, wijsheid, geduld en trouw.
De dynamiek van Christus’ werk wordt ook zichtbaar wanneer kerken zich, gehoorzaam aan het Hoofd, met elkaar verenigen wanneer ze elkaar erkennen als ware kerk.
Verbondsgehoorzaamheid
In alle onderdelen van de dynamiek is het kenmerkende de verbondsgehoorzaamheid aan Christus als Hoofd en Zaligmaker van Zijn kerk. K. Schilder noemde die gehoorzaamheid meewerken, medewerkers zijn van Christus. Ongehoorzaamheid op dit gebied noemde hij zonde. In zijn ogen werd door pluriformiteit die zonde goedgepraat en het geloof in de artikelen van de confessie over de kerk afgebroken.
Een dergelijke pluriformiteit ontmoet je ook in de leus “eenheid over kerkmuren heen”, als daar niet aan vastzit een toenadering van de betrokken kerkinstituten. Het idee van de gereformeerde gezindte – in het verleden ook wel kleine oecumene genoemd – is daar een sprekend voorbeeld van. Men heeft kanselruil en gezamenlijke activiteiten zonder kerkelijke eenheid, zonder verbondsgehoorzaamheid op het gebied van het kerk-vergaderend werk van Christus (zie bv. de brochure De Gereformeerde Gezindte door W.G. de Vries, Oosterbaan & LeCointre, 1959). Zo wordt de roeping van art. 28 NGB en de dynamiek van het kerk-vergaderend werk van Christus genegeerd. In de begintijd van Reformanda is hieraan de nodige aandacht gegeven.
Huidige situatie
Op dit moment is er in de kerkelijke situatie een verwarrend patroon herkenbaar. Allereerst is er de toenadering tussen DGK en GKN. Deze toenadering werd op het niveau van kerkverbanden gezocht sinds de GS Groningen 2014. Op de buitengewone DGK synode Lutten 2019 werd herkenning van de GKN uitgesproken. Ze worden herkend als kerken staande op hetzelfde fundament. Op de synodetafel van Lutten 2021 lag vervolgens een voorstel om tot erkenning en vereniging over te gaan. Op dat moment heeft GKN echter niet aan het verzoek voldaan om in diezelfde tijd ook als synode bijeen te komen, om hetzelfde voorstel tot erkenning en vereniging te bespreken. Er kon daarom geen sprake zijn van kanselruil en toegang tot elkaars viering van het Heilig Avondmaal. Vanaf dat moment zijn we als kerken nog niet verder gekomen dan wederzijdse herkenning en zijn we in afwachting van de besluitvorming van de GKN synode 2023 die momenteel in vergadering bijeen is. Binnenkort zal zij zich buigen over het genoemde voorstel.
In de tussentijd is er een andere ontwikkeling die te maken heeft met nieuwe synodebesluiten van de GKv over o.a. de vrouw en het ambt, een nieuwe kerkorde en het fuseren met de NGK tot de Nederlandse Gereformeerde Kerken. Door die ontwikkeling heeft zich een aantal plaatselijke kerken afgescheiden. Allereerst was dat GKH Spakenburg, later volgde GKH Rijnsburg. Nog weer laten waren dat GKv Urk, GKv Capelle-Noord en GKv Vroomshoop, die een voorlopig kerkverband aangegaan zijn (zie mijn artikelenreeks Naar een Gereformeerde oecumene? in de rubriek Kerkelijk Leven). GKH Rijnsburg is de enige gemeente die toegetreden is tot het kerkverband van DGK. De anderen staan op zichzelf. Van GKH Spakenburg is bekend dat zij graag wil toetreden tot DGK en GKN wanneer deze tot vereniging zijn overgegaan. Door het voorlopige kerkverband van de drie gemeenten wordt dit niet aangegeven. Zij zien als doel aan de horizon een toetreden tot de Christelijke Gereformeerde Kerken.
Interim
Vanwege het aanstaande besluit van de GKN wordt de huidige situatie door sommigen als een interimsituatie gezien. Niet een interim wat betreft de relatie tussen DGK en GKN, maar wat betreft het omgaan met de andere genoemde kerken, die zich hebben losgemaakt. Ds. E. Heres schreef op die wijze in zijn recente hoofdartikel in De Bazuin (De dynamiek van het kerkvergaderend werk van Christus). Hij verdedigt er het voorgaan van DGK predikanten in de genoemde kerken wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Hij doet daarbij een beroep op een commissierapport van de GS Kampen 1975. De vraag is of dit rapport van toepassing is op de huidige situatie.
In de tekst van dit rapport (zie onder) wordt duidelijk gesproken van kerken die al als ware kerken beschouwd worden. Als voorbeeld wordt gegeven de situatie dat twee ware kerkengroepen op een ordelijke weg zover zijn gevorderd dat tot kanselruil kan worden besloten. In het geval van het huidige verband van drie GKv gemeenten is daar geen sprake van. De stap die zij gezet hebben is zeker te waarderen als stap van reformatie. Maar hoever heeft deze reformatie verder doorgewerkt? Er is op kerkordelijke wijze nog geen synode geweest die heeft kunnen vaststellen dat zij als voorlopig kerkverband voldoen aan de kenmerken van de ware kerk. Er is door hen zelf ook geen wens geuit dat zij zich willen voegen bij of verenigen met ons kerkverband of een eventueel gefuseerd kerkverband. Er is dus momenteel geen ordelijke wederzijdse herkenning, laat staan erkenning.
Uiteraard is het een hele goede zaak om met genoemde kerken verder contact te oefenen en met hen verder in gesprek te gaan. Maar dan moet daarbij ook nauwgezet en met grote zorgvuldigheid de leer, sacramentsbediening en tucht van de kerk aan de orde komen. Hierover is niets bekend. Deze zaak is bovendien niet op een synode geweest. Om dan op dit moment te spreken van de dynamiek van het kerk-vergaderend werk van Christus waarbij kanselruil en avondmaalsbediening door DGK predikanten mogelijk moeten zijn, lijkt mij niet verdedigbaar.
We moeten de genoemde dynamiek altijd bezien m.b.t. de ware kerk van Christus die gehoorzaamheid toont aan haar Hoofd. Deze kerk laat zich kennen door haar kenmerken van de ware kerk en haar ware oecumenisch willen. Dat contacten met anderen onder Gods zegen daartoe kunnen leiden is zeker waar. Daaraan moet ook gewerkt worden, en daarvoor zal ook gebeden moeten worden. Maar daar mag niet op vooruit gegrepen worden. Volgens onderstaand commissieverslag is er in dat geval toch sprake van scheurmakerij.
————————————————————————————————————————————
Uit commissierapport GS Kampen 1975:
Uw commissie is van oordeel, dat ambtelijk voorgaan buiten het kerkverband in het algemeen een daad van scheurmaking is, tenzij er kerkelijke correspondentie bestaat (buitenland), of (binnenland) er een door de kerken erkende of aanvaarde interimsituatie bestaat; bijv. als twee ware kerkengroepen elkaar hebben herkend en op een ordelijke weg naar vereniging zo ver zijn gevorderd, dat tot ‘kanselruil’ kan worden besloten. Daar de KO de samenleving van de Gereformeerde Kerken regelt, en derhalve met “een kerk”, “enige kerk”, “een andere kerk” permanent de gereformeerde zusterkerken bedoelt, kan het alleen misbruik van art. 15 zijn als iemand met een beroep daarop zou willen voorgaan in een andere kerk (oecumenische dienst of iets dergelijks). Een specifieke omschrijving, tot wering van dit geval, in art. 15 zou een vreemd element zijn in het geheel van de KO. (https://www.kerkrecht.nl/content/velde-m-te-ea-1993-art-10)
