LEZEN: 1 Sam. 25:1-22
David had gezegd: … hij heeft mij kwaad voor goed vergolden. God mag zó en nog veel erger doen met de vijanden van David, als ik van alles wat hij heeft, één man tot morgen overlaat! – 1 Sam. 25:21,22
Nadat hij bij Engedi niet toegaf aan de verzoeking Saul te doden maar zijn leven spaarde (Hoofdstuk 24), staat David voor een nieuwe beproeving. Hij stuurt zijn mannen om een gunst te vragen aan een zekere Nabal, een rijke schaaphouder, die een feest viert voor zijn schaapscheerders. Davids mannen hebben Nabals herders en kuddes beschermd, dus verwacht David een positieve reactie op zijn verzoek. Nabals dienaren spreken ook positief over hun hulp (vs.15).
Maar Nabal wijst dit verzoek af en gedraagt zich erg onbeleefd en beledigend. Hoewel hij heel goed weet wie David is, ziet hij hem niet als toekomstige koning, maar eerder als een afvallige dienaar van Saul (vs.10). Voor hem is David niets.
De reactie van Nabal getuigt van ongeloof. Hij kiest tegen de HEERE en Zijn gezalfde. David voelt zich diep beledigd, en terecht. Zo wijs je een vriendelijk en redelijk verzoek niet af; dat past niet bij oosterse gastvrijheid, maar ook niet bij de norm van Gods Woord. Het is ook niet eerlijk tegenover David die Nabal juist geholpen had (vs.21).
Hoe reageert David? Handelt hij menselijk in woede en drift of toont hij geloof en waardigheid door het aan de HEERE over te laten? David laat zijn woede onmiddellijk de vrije loop. Hij trekt er met 400 gewapende mannen op uit om wraak te nemen. Een dienaar vertelt aan Nabals vrouw: “Het kwaad is ten volle over onze heer en heel zijn huis besloten” (vs.34). David bekrachtigt dit zelfs met een eed (vs.22).
Hoe moeten we Davids reactie beoordelen? Nabal staat bekend als dwaas, en handelt zo, maar David, de gezalfde van de Heere, mag niet handelen uit woede en zeker niet iemand eigenmachtig doden en zijn familie afslachten. Hij mag niemand kwaad met kwaad vergelden, maar moet het overlaten aan de Heere (Rom. 12:17-21).
Moet je iemand niet zijn verdiende loon geven?
Zingen: Ps. 35:1,6
