LEZEN: 1 Sam. 25:23-35: … Toen zei David tegen Abigaïl: Gezegend zij de HEERE, de God van Israël, Die u op deze dag mij tegemoet gezonden heeft! Gezegend … bent u, dat u mij … verhinderd hebt … tot bloedschuld te komen …
David ziet in dat hij verkeerd handelt. Daarin speelt Abigaïl een grote rol. Zij is anders dan Nabal (vs.3): goed van verstand en mooi van gestalte. Dat verstandige komt naar voren in haar geestelijke onderscheidingsvermogen. Ze heeft wijsheid, waarvan het beginsel, de kern is: de vreze van de HEERE. Zij erkent de dwaasheid en de slechtheid van haar man (vs.25). Verdrietig en pijnlijk om dat van je eigen man te moeten zeggen.
Abigaïl is niet alleen bezorgd over haar man maar ook over David. Daarom doet ze iets bijzonders. Ze stelt zich nederig op als ze David ontmoet en zegt (vs.24): “Och mijn heer, op mij rust de misdaad”. In die houding vraagt ze of David naar haar wil luisteren.
Ze verontschuldigt zich voor de “dwaasheid” van haar man. Maar ze probeert vooral David ervan te overtuigen dat hij zelf door eigenmachtig optreden de HEERE voor de voeten zal lopen en bloedschuld op zich zal laden.
Vanaf vers 28 ziet ze David als door de HEERE aangewezen nieuwe koning. Ze verzekert David dat God zijn leven zal beschermen en zijn huis zelfs blijvend zal zegenen. Haar woorden hebben profetische betekenis. Ze herinnert David aan alle goede beloften die God hem heeft toegezegd, en vergelijkt Gods goede zorg voor de Zijnen als het veilig bewaren “in de buidel van de levenden” (vs.29).
David erkent Gods werk in Abigaïls handelen en woorden en komt tot inkeer. Hij dankt God ervoor dat hij van verkeerde daden weerhouden is.
Christus, de meerdere van David, heeft ons voorgeleefd dat we zelfs niet moeten terugschelden en dreigen bij leed, maar het moeten overgeven aan Hem die rechtvaardig oordeelt (1 Petr. 2:21,23).
Hoe ga je in de kerk om met ‘onrecht’?
Zingen: Ps. 35:11,13
