Er resten ons in deze artikelenserie nog twee vragen: is er mogelijk sprake van bovenschriftuurlijke binding als aan de zusters het stemrecht onthouden wordt en: vrouwenkiesrecht, mag dat, moet dat, is het misschien een vrije kwestie?
Bovenschriftuurlijke binding
In het gesprek over vrouwenstemrecht wordt wel gezegd dat het niet toekennen van het stemrecht aan de zusters in de gemeente een bovenschriftuurlijke binding is.
Een ‘bovenschriftuurlijke binding’ wil zeggen dat een kerkelijke vergadering aan de kerken een leer, een zienswijze, een handelwijze oplegt, die niet gebaseerd is op de Schrift. Maar die gebaseerd is op menselijk denken. Waarbij iets gevraagd of verboden wordt dat de Heere in Zijn Woord niet vraagt of verbiedt.
Een bekend voorbeeld uit onze eigen kerkelijke geschiedenis is het besluit dat de Generale Synode te Sneek in 1942 nam over de leer van de veronderstelde wedergeboorte. De Generale Synode eiste volledige instemming met die leer. Predikanten en professoren moesten voortaan die leer verkondigen en daarmee instemmen. Aan dat besluit werd de kerkelijke tucht verbonden. Die leer was volkomen in strijd met wat de Bijbel, Gods Woord, leert over het Verbond en Gods beloften. Dat werd ook uitgebreid aangetoond. Maar de synode handhaafde het besluit. De kerken werden eraan gebonden.
Dat is nu een bovenschriftuurlijke binding.
Het kan ook subtieler. We denken aan de uitspraak van de GS te Leusden, 1999, m.b.t. het vierde gebod.[i] N.a.v. bezwaren tegen een preek van ds. D. Ophoff over Zondag 38 van de Heidelbergse Catechismus. Ds. Ophoff leerde, vanaf de kansel, als het Woord van God, dat er geen goddelijk gebod van de Heere meer is om te rusten op de zondag, maar dat de zondag wel een goede menselijke instelling is die we zoveel mogelijk moeten onderhouden. De synode besloot “dat de opvatting van ds. D. Ophoff, dat de rustdag niet gegrond is op een goddelijk gebod, niet te veroordelen is.” De Generale Synode te Zuidhorn, 2002, bevestigde dit.[ii] En aan synodebesluiten zijn de kerken gebonden, zo hebben we samen afgesproken in de kerkorde. Het kan lijken dat er in dit geval niet zoveel aan de hand is. Het werd niet verboden aan predikanten om hun mening te verkondigen dat de rustdag wel op een goddelijk gebod gegrond is. Maar de synode degradeerde die opvatting tot een méning. Een mening naast de mening van ds. Ophoff. Twee menselijke meningen en niet meer het gezaghebbende Woord van God. Bovendien sprak deze synode uit dat de vrede en de eenheid in de kerken gediend wordt, wanneer niemand zijn mening aan anderen bindend wil opleggen. Dat betekent dat de Schriftgetrouwe prediking over het vierde gebod niet meer kan worden toegestaan. Immers de prediking is inderdaad een zaak van binden en ontbinden. (zondag 31 HC.)[iii] Dat is de consequentie van dit besluit. En daaraan werden de kerken gebonden. Tegen Gods Woord. Ook een bovenschriftuurlijke binding. Het werd een heel belangrijke grond voor de vrijmaking van 2003.
Boven de Schrift
Geldt dat nu ook voor de uitspraak van de Generale Synode te Mariënberg 2005, en haar voorgangers in 1978, 1965 en 1930? En voor de overtuiging van de kerk van alle eeuwen? Legden al die synodes aan de kerken een onschriftuurlijke leer op door aan de zusters niet het stemrecht toe te kennen? Dan moet dus duidelijk gemaakt worden, aangetoond uit de Bijbel, dat de Schrift dat recht wèl toekent aan de vrouwen in de gemeente, of in ieder geval dat er niets is in de Bijbel wat toekennen van het stemrecht tegenspreekt. Dat zou betekenen dat de kerken die trouw willen zijn aan Gods Woord en de waarheid van Gods Woord belijden, naar art. 7 van de NGB, eeuwenlang de kerken hebben gebonden aan een dwaalleer.
We zijn van mening dat dit niet is aangetoond. Alleen als je de Bijbel anders leest, door de ogen van de nieuwe hermeneutiek (uitlegregels) kun je de zogenaamde ‘zwijgteksten’ zo lezen dat de Bijbel het stemrecht voor zusters nergens afwijst. Of dat het onthouden van dit stemrecht een ernstige vorm van onrecht is. (De nieuwe hermeneutiek leert o.a: de Bijbel is het woord van mensen over God, Bijbelse uitspraken zijn tijdgebonden, ze zijn gedaan om tegemoet te komen aan de algemene cultuur van die tijd, het is niet zo dat de Schrift zichzelf verklaart, ze ontkent van de eenheid tussen Oude en Nieuwe Testament, de Bijbelse boodschap moet in rapport gebracht worden met de eigen tijd enz.).
We menen dat uit alles wat we in de vorige artikelen naar voren hebben gebracht duidelijk is dat het niet instemmen met het vrouwenstemrecht juist geen bovenschriftuurlijke binding is. Maar heel gewoon de Schrift in zijn geheel laten spreken.
Mag het, moet het, is het vrij?
Eigenlijk kunnen we over de laatste vraag kort zijn.
We hebben gezien dat we in de kerken niet moeten spreken over rechten maar over roeping. Zoals de Bijbel dat doet.
We hebben gezien dat er duidelijk verschil in roeping is tussen man en vrouw. En dat de vrouw niet geroepen is om op een of andere wijze te regeren.
We hebben gezien dat dit geheel overeenkomt met de scheppingsorde. Een orde die blijvend is.
We hebben gezien dat de Bijbel een eenheid is, dat er één lijn is in Oude en Nieuwe Testament. Dat Oude en Nieuwe Testament elkaar niet tegenspreken maar dat Nieuwe de vervulling verkondigt van het Oude.
We hebben gezien dat Christus en de apostel Paulus teruggrijpen op de scheppingsorde, ook in de zgn. zwijgteksten.
We hebben gezien dat in het Nieuwe Testament de verhouding tussen man en vrouw vergeleken wordt met de verhouding van Christus met zijn gemeente. En dat daarin sprake is van een gezagsrelatie.
We hebben gezien dat meerdere synoden in de vorige eeuw op goede gronden hebben uitgesproken dat stemmen een vorm van meeregeren is, omdat het beslissend is en de kerkenraad eraan gebonden is. In de lijn van de gereformeerde kerken de eeuwen door.
We hebben gezien dat er een duidelijk verband is tussen de heersende tijdgeest en het telkens weer vragen om het vrouwenstemrecht.
Van een bovenschriftuurlijke binding is dan ook geen sprake. De zaak is duidelijk. Vrouwenstemrecht, mag het, moet het of is het een vrije kwestie waar de Bijbel geen aanwijzingen voor geeft?
Het mag niet.
Het moet zeker niet.
Het is geen vrije kwestie, de Bijbel is duidelijk genoeg.
Wat staat ons vandaag te doen?
We mogen graag verwijzen naar de kernachtige uitspraak die prof. Lucas Lindeboom (van 1882-1917 vooraanstaand hoogleraar aan de Theologische School te Kampen, een fel en volhardend bestrijder van ‘kuijperiaanse leringen’ en moderne theologie) voorhield aan zijn studenten: lees wat er staat en laat staan wat ge leest!
Eenvoudig. Duidelijk.
Beter nog, we verwijzen naar de woorden die Paulus gebruikte[iv]: “Laat ieder voor het aangezicht van God blijven, broeders, in de staat waarin hij geroepen is.” (I Korinthe 7: 24)
Gods woord voor alle tijden.
[i] Acta GS Leusden 1999
[ii] Acta GS Zuidhorn 2002
[iii] Brochure “laten wij ons bekeren”, LWVKO, 2003, pag. 37
[iv] Zie het eerste artikel uit deze serie.
