Als we het hebben over belangrijke vragen in de kerk, is het meestal ook heel zinvol om te kijken naar de invloed van de tijdgeest op ons denken en beleven. De kerk is niet immuun voor de geest van de tijd. De individuele kerkleden en voorgangers ook niet. De kerkgeschiedenis wijst dat op talloze punten aan: heel veel dwaling houdt nauw verband met tijdsinvloeden. Met gebrek aan onderscheidingsvermogen. Met een tendens naar wereldgelijkvormigheid. Want we willen toch liever niet uit de toon vallen in de wereld om ons heen? Van nature zijn we toch geneigd de antithese af te vallen of te ontkennen? Hoe we ons ook voornemen om vooral niet in die valkuil te vallen.
Hele actuele voorbeelden zijn de fundamentele veranderingen in de voormalige GKv, de kerken waarvan we bijna allemaal lid waren. De veranderingen in de visie op het huwelijk, homofilie, genderproblemen, man en vrouw in de kerk, het houden van Gods Wet in de Tien Geboden (zondagsrust) en de kijk op het bijzonder ambt (gelijkheidsdenken) zijn zonder meer in verbinding te brengen met de sociaal-maatschappelijke revolutie van onze jaren.
Daarom is de vraag gewettigd of dat ook het geval kan zijn als het gaat om vrouwenstemrecht.
De eeuwen door
Over de vraag naar het vrouwenstemrecht is in de Gereformeerde Kerken de eeuwen door wel gesproken. Maar altijd hebben de kerken hetzelfde antwoord gegeven: nee, stemrecht bij de verkiezing voor ambtsdragers komt de vrouw niet toe; het is een daad van uitoefenen van regeermacht. Al in de zeventiende eeuw legde de bekende prof. Gijsbertus Voetius (1589-1676) uit hoe de Bijbel daarover sprak.[i] Voetius is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van het gereformeerde kerkrecht. In latere jaren is ook op dit punt steeds naar het onderwijs van Voetius geluisterd.
Toch kwam in de jaren twintig van de vorige eeuw, na wat ritselingen aan het einde van de negentiende eeuw, met enige kracht de vraag naar het invoeren van het vrouwenstemrecht in de kerken naar voren.
Jaren twintig
Op de generale synode te Groningen, 1927, kwam de zaak concreet aan de orde, n.a.v. een deputatenrapport. Eerder al, in Utrecht, 1923, was de vraag aan de orde geweest. Twee kerken hadden geheel zelfstandig het vrouwenstemrecht ingevoerd. Daar kwamen bezwaren tegen. De GS Utrecht sprak uit dat dit stemmen een regeerdaad was en in strijd met Gods Woord. “De commissie waarschuwt ook tegen het gevaar van een onschriftuurlijke emancipatiebeweging: “de Kerk van Christus heeft te waken en toe te zien dat niet mede door hare daden deze onheilige beginselen ook onder ons volk zouden binnendringen en veld winnen.” [ii]
Een duidelijke waarschuwing tegen de blijkbaar opgemerkte invloed van de tijdgeest.
Toch werd ook besloten een studiedeputaatschap in te stellen. In Groningen 1927 werd besloten opnieuw deputaten te benoemen, om met gebruikmaking van de bestaande rapporten de principiële kant van het vraagstuk van het „vrouwenkiesrecht” uit de Schrift en uit de historie te belichten, en daarbij ook in te gaan op de vraag, of het stemmen van de vrouwen bij de verkiezing van ambtsdragers een daad van regeermacht is of niet, en of er mogelijk een onderscheid is in het karakter van het ambt der gelovigen bij de man en bij de vrouw.[iii]
Op de GS te Arnhem, 1930, werd die vraag bevestigend beantwoord.[iv] Ja, stemmen is een daad van regeermacht. In de acta wordt er maar kort aandacht aan besteed, men was er blijkbaar snel uit. Om de zaak uit te zoeken en de synode te dienen met een advies was een deputaatschap van 5 personen benoemd. Er lag toen in 1930 een rapport van 4 deputaten die lieten zien dat stemmen inderdaad het uitoefenen van regeermacht is in de kerk. Eén deputaat, ds. C. Lindeboom, leverde een minderheidsrapport in waarin hij in 48 pagina’s het tegendeel probeerde aan te tonen. Zijn rapport werd verworpen. Er kwam geen voorstel voor het invoeren van het vrouwenkiesrecht.
Kerkelijke toestand en tijdgeest
Toch kun je je afvragen waarom juist toen die vraag naar het vrouwenkiesrecht sterk naar voren kwam. Het was in De Gereformeerde Kerken een roerige tijd. In 1920 was ds. Netelenbos veroordeeld. Hij gaf ruimte aan een foute uitleg van Genesis 1-3 en hij ging voor in kerken buiten het kerkverband. In 1926 werd ds. Geelkerken veroordeeld. Hij leerde nog veel sterker dat Genesis 1-3 geen feitelijke historie was en eiste vrijheid van exegese. Er was een stroming in de kerken die een onbijbelse oecumene wilde; een grote groep studenten en predikanten zocht contact met leden van andere kerken in binnen- en buitenland, onder de noemer van het Calvinisme: we zijn allemaal volgelingen van Calvijn. Op verschillende classes, particuliere synodes en generale synodes kwamen voorstellen om de belijdenis te wijzigen en aan te vullen. Het huwelijksformulier zou inhoudelijk gewijzigd moeten worden. Uitgesproken zou moeten worden dat uit art. 28 van de NGB niet afgeleid kon worden dat er op één plaats maar één ware kerk kon zijn.
Er werd geroepen, en niet door de minsten, dat de kerk mee moest gaan met de tijd en zich daarvan niet moest isoleren.
Het leek op de jaren zestig en op het einde van de jaren negentig in de GKv. Er was en is niets nieuws onder de zon.
In die tijd was er in de maatschappij sprake van de zogenaamde eerste feministische golf. Het feminisme maakte en maakt nog zich sterk om een einde te maken aan de verschillen in machtspositie tussen mannen en vrouwen. Het komt op voor vrouwenbelangen. Het streeft naar gelijkheid van man en vrouw. En met succes: vrouwen kregen in die tijd toegang tot politieke functies, functies in het openbaar bestuur, toegang tot de universiteiten en een eigen plaats in het Nederlandse erfrecht.
Het socialisme werd in die jaren een belangrijk element in de politiek. Na de WO I had het socialisme in Nederland zijn extreem revolutionaire insteek losgelaten (o.a. op grond van de communistische revolutie in Rusland) maar zijn principes niet: vrijheid, gelijkheid en broederschap.
En juist in die tijd komt in de kerk serieus de vraag naar voren: klopt het wel dat zusters geen stemrecht hebben omdat we menen dat stemmen een daad van regeren is? Dat vrouwen in de kerk niet het regeerambt mogen uitoefenen, daar was men het wel over eens. Maar is stemmen wel regeren? Als dat niet zo is, dan valt een heel belangrijk argument tegen vrouwenkiesrecht weg. Dan kun je proberen dat in te voeren.
Het is toch geen toeval dat juist in die tijd die wens naar voren komt? Een aanval in feite op de verschillende roeping van man en vrouw? Een aanval op het gegeven dat de HEERE man en vrouw, en zeker in de kerk, ieder een eigen roeping heeft gegeven?
De kerken hebben toen onder Gods leiding decennia gehandhaafd dat stemmen in Bijbelse zin een daad van regeren is. In 1958 gebeurde dat, in 1964/1965, in 1978 (door aanname van een minderheidsnota). Dat ging niet vanzelf. Steeds weer werd het onderwerp opnieuw op de agenda gezet. En in 1993 gingen de kerken om.
Ommen en de tijdgeest
Het is interessant om het zeer uitvoerige rapport te lezen waarop het besluit van GS Ommen is gegrond. Over de invloed van de tijdgeest wordt o.a. ingebracht[v]:
“1 Het verbod op vrouwenstemrecht is te bestempelen als beïnvloeding door de vroegere geest des tijds;
2 de strijd tegen de onchristelijke emancipatiebeweging wordt verzwaard als het stemrecht niet op onomstreden Schriftuurlijke en kerkrechtelijke gronden aan de zusters wordt onthouden;
3 in de praktijk van het gemeenteleven ervaart men steeds meer de moeite met het besluit van 1978; te meer omdat deze regel niet door de Schrift wordt opgelegd;
4 tegenwoordig wordt niet-mogen-stemmen als onrecht ervaren; deze praktijk brengt de kerk in een onnodig isolement en werpt een hindernis op voor de voortgang van het evangelie.
Wel of geen invloed van de tijdgeest? Wordt dit niet met zoveel woorden gezegd?
Daarnaast zien we ook voor het eerst een meerderheid voor een andere, hedendaagse uitleg van Bijbelgedeelten die handelen over de positie van man en vrouw in de kerk.
Onder het besluit “dat aan de belijdende zusters het deelnemen aan de stemming bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente van Christus niet langer onthouden behoort te worden” komen we o.a. de volgende gronden tegen:
“b. de invloed van de tijdgeest hoeft niet bij voorbaat negatief te zijn; ook de huidige wijze van verkiezing is in de loop van de tijd daardoor beïnvloed;
c. de kerk behoort aan de zusters in de gemeente geen stemrecht te geven als een offer aan de tijdgeest; zij behoort aan de zusters het stemrecht ook niet te onthouden uit vrees voor de tijdgeest;
d. wanneer op grond van de Schrift aan de zusters het stemrecht onthouden moet worden, kan dat leiden tot een noodzakelijk isolement voor de kerk; wanneer de Schrift het stemrecht aan de zusters niet verbiedt en het wordt hun toch onthouden, kan dat onnodige vervreemding veroorzaken ten opzichte van het evangelie, zowel in de kerk als daarbuiten;
e. het toekennen van stemrecht aan de zusters is geen uiting van onschriftuurlijk individualisme of van democratisering van de kerk en moet daarom niet beoordeeld worden als een knieval voor verkeerde emancipatiezucht;”
Nogmaals: wel of geen invloed van de tijdgeest? We moeten dit goed lezen. Er wordt in deze gronden o.a. gewaarschuwd tegen een niet noodzakelijk isolement en tegen vervreemding, zowel in de kerk als daarbuiten.
Maar is het niet zo dat de kerk die vasthoudt aan Gods Woord altíjd in het isolement verkeert en dat dit geen argument mag zijn om aan de tijdgeest toe te geven?
Eerste stap
Tenslotte wijzen we op nog een heel belangrijke grond:
“omdat stemmen niet beschouwd mag worden als een vorm van (mee)regeren, mag het toekennen van stemrecht aan de zusters niet gezien worden als een eerste stap op weg naar het leer- en regeerambt van de zusters.”
De bittere verdere geschiedenis van de GKv leert ons dat dit juist wel gebeurd is. Het leidde rechtstreeks, zoals we waarschijnlijk allemaal wel weten, tot het openstellen van alle ambten voor man en vrouw in de kerk.
‘Ommen’ was het lostrekken van een eerste draad uit een breiwerk, waarna het hele breiwerk uit elkaar viel.
Bevestigd
Op de Generale Synode te Berkel&Rodenrijs, 1996, werden veel bezwaren ingebracht. Maar de synode handhaafde het besluit van Ommen en wees alle bezwaren af.[vi] Hoewel wel wordt gesteld dat terecht tegen het vastleggen van bepaalde exegeses, die de mening ondersteunen dat stemmen geen regeren is, wel iets was in te brengen (!) werd toch de invoering van het vrouwenstemrecht bevestigd. Over de tijdgeest zei ‘Berkel’: “appellanten tonen niet aan dat het spreken over de tijdgeest door het ontbreken van een definitie vaag en ongrijpbaar wordt; de synode heeft op een evenwichtige manier over de invloed van de tijdgeest gesproken en daarbij duidelijk aangegeven dat alleen de argumenten van de Heilige Schrift doorslaggevend zijn in de kerk; de synode zelf heeft haar besluiten ook vanuit de Schrift beargumenteerd; in grond 4 e heeft de synode haar besluiten duidelijk afgeschermd tegen een onschriftuurlijk individualisme en tegen een verkeerde emancipatiezucht;”
Maar of de synode die verkeerde emancipatiezucht heeft afgeschermd is de vraag De synode stelt dat wel maar iets vinden en iets beweren is niet hetzelfde als aantonen.
In een laatste en afsluitend artikel zullen we DV de vraag bespreken of er wellicht toch sprake kan zijn van een bovenschriftuurlijke binding als aan de zusters het stemrecht onthouden wordt en hopen we de vraag van het begin van onze serie te beantwoorden: vrouwenkiesrecht, mag dat, moet dat, is het misschien een vrije kwestie?
(wordt vervolgd)
[i] Hier aangehaald via het afgewezen minderheidsrapport vrouwenstemrecht 1930, ds. C. Lindeboom
[ii] Acta GS Utrecht 1923
[iii] Acta Groningen 1927
[iv] Acta Arnhem 1930
[v] Voor deze en volgende: Acta en bijlagen GS Ommen 1993
[vi] Acta Berkel 1996
