LEZEN: 2 Tim. 4:19-22: Groet Prisca en Aquila, en het huis van Onesiforus. Erastus is in Korinthe gebleven en Trofimus heb ik in Milete ziek achtergelaten. Beijver u om voor de winter te komen. U groeten Eubulus, Pudens, Linus, Claudia en alle broeders. De Heere Jezus Christus zij met uw geest. De genade zij met u allen. Amen.
Deze tweede brief aan Timotheüs staat vol bemoediging en aansporing. Ook voor onze ambtsdienst is dit een kostbaar woord van God. Paulus komt nu tot een slot. Nadat hij zijn eigen situatie aan de orde heeft gebracht, ook weer om Timotheüs te bemoedigen, richt hij de aandacht van Timotheüs op andere broeders en zusters die dienend bezig zijn voor het kerk-vergaderend en kerkopbouwend werk van de Heere Jezus Christus. Paulus vraagt aandacht voor zijn warme belangstelling voor en betrokkenheid op deze mensen.
Daarom wil hij dat Timotheüs hen zijn groeten overbrengt als blijk van hartelijk meeleven. Laten we daarbij bedenken dat hij dit verzoek doet vanuit zijn gevangenschap met de dood voor ogen. Het is dus geen formele afronding maar een warme uiting van de gemeenschap der heiligen. Timotheüs mag met deze woorden ook beseffen dat hij er niet alleen voor staat als Paulus wegvalt. Ook krijgt hij nog een aansporing om vooral voor de winter bij hem te komen.
Ook brengt Paulus de groeten over van broeders en zusters uit Rome, die zich niet van hem hebben afgezonderd.
Dan volgt er een zegenbede voor Timotheüs, gevolgd door een zegen voor alle broeders en zusters in de Heere, en dus voor heel de kerk van alle plaatsen en tijden. Voor Timotheüs: “de Heere Jezus Christus zij met uw geest”. Van die gemeenschap hangt alles af. Voor hem persoonlijk en voor zijn ambtsdienst. Laat Timotheüs dat voor ogen houden!
Maar dan is er ook de genade in Christus voor allen. De genade die voor eenieder genoeg is. De genade van vergeving en eeuwig leven.
Zijn er mensen voor wie je speciaal voorbede doet?
Zingen: Ps. 52:6
