De Opleiding tot de Dienst des Woords
Inleiding
GS Dalfsen 2024 ontving een rapport van de deputaten Opleiding tot de dienst des Woords (ODDW).
De inhoud ervan was gericht op de aanstaande vereniging van DGK en GKN. Deputaten van de GKN hadden al eerder een voorstel van hun kant over de inrichting van hun opleiding voorgelegd aan de generale synode van GKN, GS Kampen 2023. Deputaten van DGK stellen in hun rapport voor om die inrichting over te nemen. Wat zou er moeten veranderen?
Vanuit de DGK-oogpunt betekent dit dat de volledige opleiding die door de kerken vanaf GS Hasselt 2011 ter hand is genomen beëindigd wordt. Ze wordt vervangen door een periode van 4 jaar (3 jaar bachelor en 1 jaar master), waarin de studenten de opleiding aan de TUA (Theologische Universiteit Apeldoorn) van de CGK volgen. Gedurende deze jaren worden ze begeleid door docenten van de zogenoemde Academie voor Gereformeerde Theologie.
Het voordeel daarvan is, zo stellen deputaten, dat in die weg een academische graad en titel kan worden wordt bereikt en er een mogelijkheid bestaat om later te promoveren. Dat zou vervolgens ten goede kunnen komen aan de wetenschappelijke ontwikkeling van docenten. Een dergelijk onderwijs zou wetenschappelijker zijn dan in de huidige opleiding geboden kan worden.
Ten tijde van de masterfase aan de TUA wordt een start gemaakt met een masterfase van de Academie voor Gereformeerde Theologie, die twee jaar in beslag neemt. Deze wordt gegeven door docenten uit de kerken.
Hoewel het organisatorisch goed uitgedacht is, is het grote probleem of het principieel te verantwoorden is om studenten gedurende 4 jaar naar de TUA te zenden. GS Hasselt 2011 heeft juist om ernstige principiële redenen besloten onze studenten niet langer aan de TUA te laten studeren. Hoe kan het dat daar nu geen probleem van gemaakt wordt?
GS Dalfsen heeft het voorstel dat de deputaten van DGK voorgelegd hebben, en daarmee dus de voorgestelde inrichting van de GKN-deputaten, zonder enige aanpassing goed gekeurd.
De grote vraag hierbij is: hoe verhoudt zich dat tot onze eerdere overtuiging, waarbij met name art. 18 KO en HC zondag 38 in het geding zijn?
Artikel 18:
Opleiding tot de dienst des Woords
De kerken onderhouden een theologische hogeschool voor de opleiding tot de dienst des Woords.
Tot de taak van de hoogleraren in de theologie behoort het uitleggen van de Heilige Schrift en het verdedigen van de zuivere leer tegen ketterijen en dwalingen.
Maar ook HC zondag 38:
Wat gebiedt God in het vierde gebod? Ten eerste dat gezorgd wordt voor het in standhouden van de dienst des Woords en van de scholen (verwijzing naar: 1 Kor. 9:13,14;1 Tim 3:15; 2 Tim 2:2; 2 Tim 3:14,15; Tit 1:5) …
In een viertal artikelen is op de website al ingegaan op deze zaak: de serie “Van Opleiding naar Academie” (https://www.bouwen-en-bewaren.nl/?s=opleiding+academie).
Ik beperk me nu tot het genomen besluit van GS Dalfsen 2024 met commentaar daarop. Voor de vergelijking met wat de kerken in het verleden hebben besloten dient de tekst van de Acta van GS Hasselt art. 5.08 en 5.09. Voor de tekst van GS Hasselt 2011 art. 5.08 en 5.09 en GS Dalfsen 2024 art. 5.01 verwijs ik u naar het artikel “Zijn onze kerke veranderd? (4B)”.
Commentaar op GS Dalfsen 2024, art. 5.01*
Confrontatie met GS Hasselt 2011, art. 5.09?
In overweging 6 wordt m.b.t. GS Hasselt 2011 vermeld dat er toen toenemende dwaalleer is geconstateerd aan met name de TUA van de CGK, die ertoe heeft geleid het ‘hele’ onderwijs in eigen hand te nemen. Vervolgens komen we het argument van dwaalleer bij de TUA niet meer tegen in de overwegingen en de gronden van het besluit van GS Dalfsen.
Er wordt geen enkele verantwoording afgelegd voor het nieuwe beleid tegenover het besluit van Hasselt 2011, art. 5.09* .
Ook wordt er geen aandacht aan gegeven dat aan de TUA inmiddels geen verbetering te zien is t.o.v. de door GS Hasselt vastgestelde tolerantie van Schriftkritiek, dwaalleer en oecumenisme, maar eerder verslechtering. Dit was ook aangeduid in de bijlage van het aanvullend rapport van deputaten, die de synode had ontvangen.
Met deze geschiedenis en de recente informatie vanuit de opleiding zelf is het des te opmerkelijk dat GS Dalfsen groen licht geeft aan blootstelling van onze studenten aan bovengenoemde tolerantie, terwijl dit destijds al voor GS Hasselt 2011 niet langer aanvaardbaar was.
Mankracht en roeping
In de overweging 7 van het besluit van GS Dalfsen wordt eerst erkend dat de opleiding binnen DGK “stevig ter hand is genomen met een uitstekend studieprogramma”. Maar vervolgens wordt beweerd dat ”de beschikbare mankracht voor de opleiding zeer smal is geworden”.
Deze laatste stelling is moeilijk te aanvaarden als gelet wordt op het huidige aantal DGK-predikanten in vergelijking met het aantal in de beginfase van DGK. Ook wordt voorbijgegaan aan de roeping van 2 Tim. 2:2 die voor alle predikanten geldt.
In overweging 10 wordt vervolgens zonder onderbouwing beweerd dat de toename van beschikbare predikanten van de GKN bij vereniging “beperkt” geacht wordt.
Academische setting verplicht?
In de overwegingen 3 en 4 wordt verder gesteld dat er volgens art. 18 KO een verplichting is om een hogeschool c.q. universiteit te onderhouden en dat het streven moet zijn dat de opleiding een academisch niveau heeft. Zeker, er zal moeten worden gestreefd naar een wetenschappelijk denkniveau met de best mogelijke opleiding., maar dat rechtvaardigt geen compromissen om daarvoor een opleiding met dwaalleer, Schriftkritiek, tolerantie en een oecumenistische sfeer te gebruiken zoals de TUA.
Het verkrijgen van een academische graad/titel is inderdaad met het bestaande programma van ODDW sinds 2011 opgegeven. Maar dat had te maken met het voldoen aan de eerste vereiste die de Heere Zelf stelt: zuiver uitleggen van Zijn Woord en weerleggen van dwalingen. Juist vanwege het nastreven van dat hoofddoel werd een academisch traject aan de TUA opgegeven.
Hoewel overweging 6 hieraan aandacht geeft, wordt vervolgens in overweging 8 het “ontbreken van enige academische graad” voor de predikanten als een “ernstige beperking” gezien.
Ook is aanvechtbaar wat staat in overweging 4 van het besluit van Dalfsen over de geschiedenis. Er staat: deze is “helder dat het streven altijd geweest is (hogeschool, hoogleraren en promotierecht 1945 K. Schilder) om de opleiding op academisch niveau te brengen.”
De geschiedenis laat juist zien dat hier nog heel wat over te doen is geweest.
In de brochure “Het Meerderheidsrapport van het Curatorium inzake het Doctoraat aan de Theol. School te Kampen besproken door dr. S. Greijdanus” (Kok, Kampen,1929) wordt een pleidooi gevoerd voor het wetenschappelijk gehalte (!). Maar de auteur zet dit op de juiste plaats. Hij wijst op de mogelijkheid die daarvoor in de kerken aanwezig moet zijn (pag. 10), en dat dit de gehele theologische vorming betreft (pag. 34, 41). Hij pleit voor de beste en volledigste opleiding die mogelijk is (onderstreping SdM).
Art. 18 KO en academische graad
In de gronden van GS Dalfsen wordt art. 18 KO alleen aangevoerd als grond voor het academische niveau (grond 2). Dit laatste is aanvechtbaar, omdat de KO bij dit artikel in de formulering van hogeschool/ universiteit in 1978 uitging van een bestaande situatie van die dagen.
In de tijd van de Afscheiding tot aan het begin van de twintigste eeuw heette de opleiding “School”, zoals ook in de Heidelbergse Catechismus zondag 38. In de begintijd na de Afscheiding waren er ook geen hoogleraren.
Ook in de Engelstalige editie van onze gereformeerde kerkorde in het “Book of Praise” (1984) lezen we niets over een “hogeschool” of “universiteit”. Daar staat:
Training for the Ministry: The churches shall maintain an institution for the training for the ministry. Vertaald: de kerken zullen een “instituut”, een instelling voor de opleiding tot de dienst (van het Woord) onderhouden.
Is de nieuwe Academie overeenkomstig art. 18KO?
In het goedgekeurde voorstel van deputaten kan m.i. niet van een “eigen opleiding” worden gesproken omdat meer dan 65% van het onderwijs aan de TUA wordt gevolgd. Daarom voldoet dit voorstel niet aan de primaire eis van art. 18 KO.
Artikel 18 doelt op een opleiding van de kèrken en niet op een buitenkerkelijke universiteit zoals de TUA. Het kerkorde-artikel gaat uit van het principe “voor de kerken door de kerken” dat teruggaat op o.a. 2 Tim. 2:2. Het kerkordeartikel en de tekst van 2 Tim 2:2 worden wel genoemd bij het besluit in overweging 2, maar worden in het besluit niet consequent uitgewerkt. Ook waar artikel 18 wijst op de noodzaak van het bestrijden van dwaalleer, is dit overeenkomstig Schriftgegevens die daarop wijzen.
In het aangenomen voorstel van deputaten wordt wel gesproken over een begeleiding tijdens de periode dat de studenten aan de TUA onderwijs krijgen. De ervaring in de periode vooraf aan GS Hasselt heeft ons echter geleerd, dat het praktisch gezien niet te realiseren is om een adequate begeleiding te bieden om alle dwaalleer en Schriftkritiek te ontmaskeren en tegen te spreken. Hiervoor is de nodige extra studielast te groot vanwege de vereiste extra literatuur en collegetijd.
Bovendien kan dwaalleer voor de studenten onopgemerkt blijven.
Concluderend
Dat er voor de Opleiding tot de Dienst des Woords enige aanpassing nodig is in verband met de aanstaande vereniging is vanzelfsprekend. Het zou de volledigheid van de opleiding ten goede moeten komen. Met meer kennis is er ook inhoudelijk verbetering mogelijk. Wellicht is er zo ook in wetenschappelijk methodisch opzicht winst te boeken.
Maar het is absoluut niet te verdedigen dat GS Dalfsen 2024 met het oog op de aanstaande vereniging van DGK en GKN voor een andere koers heeft gekozen, die voor een belangrijk deel niet overeenkomt of onvoldoende rekening houdt met:
- de kerkorde (art. 18, 31, 33, 53, 55KO),
- de belijdenis (art. 7, 29 NGB; zondag 38 HC) en
- de Heilige Schrift (2 Kor. 11:14; 1 Tim. 6: 3, 4; 2 Tim. 2: 14v; 2 Tim. 3: 13-17; 2 Tim. 4:1-5; Petr. 1:20-2:3, 1 Joh. 4:1, Openb. 3:10,11; 1 Tim. 4:7; 6:5,20; 2 Tim. 3:5; Tit. 3:10; 2 Joh.10)
Bovendien betekent dit besluit dat met deze nieuwe inrichting van de opleiding het gevaar reëel is dat dwaalleer, Schriftkritiek en oecumenisme – al dan niet verhuld – de kerken binnenkomen.
* Zie voor de tekst van GS Hasselt art. 5.08 en 5.09 en GS Dalfsen 2024, art. 5.01 artikel 4B van deze artikelenreeks
(wordt vervolgd)
