LRC Abbotsford – kerkelijke weg en katholiciteit
Kerkelijke weg
In tegensteling tot wat het deputaten rapport (Acta GS 2021) heeft beweerd, moet conform 31 KO worden vastgehouden aan de uitspraak van GS Groningen 2014, dat de kerkelijke weg volledig was doorlopen op het moment van de vrijmaking van LRCA in 2007.
Daartegen zijn door deputaten BBK in hun rapport aan GS Lutten 2021 geen gegronde bewijzen ingebracht. Zie https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2024/03/16/waarheid-en-recht-als-grond-voor-eenheid-15-kerkelijke-weg-lrca-en-slotconclusies/
GS Dalfsen 2024 stelt dat de ingediende bezwaarschriften niet hebben bewezen dat de kerkelijke weg wel doorlopen was. Hiermee doen onze kerken groot onrecht tegenover LRC Abbotsford omdat de kerkelijke route die zij naar het oordeel van GS Lansingerland nog zouden hebben gehad de tijd betreft die komt nadat de weg in 2004 al helemaal doorlopen was (zie bovenstaande link). Appels die andere kerken nog vanaf 2007 tot 2016 hebben ingebracht over de zaken die de grond zijn van de vrijmaking van LRC Abbotsford, hebben allen niets uitgehaald. We kunnen het vergelijken met appels tegen het aantasten van het vierde gebod die nog na GS Zuidhorn zijn ingediend. Ook die haalden niets uit.
Daar komt bij dat er op de synode wel gesteld wordt dat er voor LRC Abbotsford geen binding aan het verkeerde besluit werd geëist zoals dat in 1944 (prediking aangaande verbondsleer) en in 2003 (prediking over 4e gebod) wel het geval was, maar dat de feiten anders zijn. De avondmaalsviering in de CanRC zelf was een open viering geworden bij het laten vallen van de eis van binding aan de belijdenis van gasten en het hebben van een attest van de zusterkerk (OPC en URC). Ook kregen de broeders te maken met tuchtmaatregelen i.v.m. waarschuwen en weigeren mee te werken aan de onschriftuurlijke praktijk.
Katholiciteit van de kerk en Westminster Confessie (WC) in uitspraken GS Lutten 2021 en GS Dalfsen 2024
GS Lutten 2021 en GS Dalfsen 2024 stellen kritiek op de Westminster Confessie min of meer gelijk aan zonde tegen de katholiciteit van de kerk.
Elk recht van twijfel over of bezwaar tegen de WC lijkt te worden ontkend. Deputaten stellen in hun rapport aan GS Lutten 2021 dat de kerken altijd de WC hebben aanvaard. Dit moet kennelijk ook leidend zijn voor LRCA, want een bespreking van aangevoerde problemen wordt door deputaten ontweken. De WC is op grond van “de geschiedenis” echter niet onschendbaar.
Ook voor de WC geldt wat artikel 7 NGB zegt:
Men mag geen geschriften van mensen, hoe heilig de schrijvers ook geweest zijn, op één lijn stellen met de goddelijke Schriften, ook de gewoonte niet met Gods waarheid – want de waarheid gaat boven alles – evenmin de ononderbroken voortgang in de tijden …, of de concilies, decreten of besluiten.
De broeders van LRC Abbotsford hebben echter uitgesproken dat zij ondanks inhoudelijke bezwaren toch kunnen leven met de situatie dat een presbyteriaanse kerk die[TB1] de Westminster heeft en gereformeerde praktijken uitoefent m.b.t. de binding aan de belijdenis en de toelating aan het Heilig Avondmaal (deputatenrapport GS Lutten pag. 140). Deputaten doen echter voorkomen alsof LRC Abbotsford dat wel zegt, maar niet meent.
Ook het feit dat Abbotsford voor hun beoordeling van praktijken en leringen binnen een Presbyteriaanse Kerk de Drie Formulieren van Eenheid hanteert wordt niet acceptabel geacht.
Hiertegen wil ik het volgende inbrengen: Als wij uitspreken dat de Drie Formulieren van Eenheid in alle onderdelen Gods Woord naspreken, mogen, ja moéten we deze belijdenis ook gebruiken om een andere belijdenis te toetsen. Dat is nog iets anders dan dat die andere belijdenis woordelijk identiek moet zijn.
Bezwaren tegen de Westminster in het verleden
Een eerdere generale synode nl. GS Groningen 1948 art. 75 heeft dit gedaan en heeft een tegenstrijdigheid vastgesteld tussen de Westminster en de Drie Formulieren van Eenheid. Zij spraken uit: “deelname aan de Gereformeerde Oecumenische Synode (G.O.S.) is onaanvaardbaar o.a. omdat: de grondslag die voor deze oecumenische synoden gesteld is, wegens tegenstrijdigheden in de opgesomde belijdenisgeschriften, de onze niet kan zijn”. (Acta art. 75 sub 3A).
In het commissierapport van deze synode (1948) staat daarover: “De Westminster Confessie spreekt anders over het verbond en over de regering der kerk dan onze Nederlandse belijdenisgeschriften. Ook die regering der kerk is een deel van onze op Gods Woord gegronde belijdenis. Door deze afwijking van elkander in de belijdenisgeschriften is het hebben van een gemeenschappelijke grondslag al illusoir” (Acta bijlage 19, pag. 120).
Als het bekritiseren van de Westminster gelijk staat aan zonde tegen “de leer van de katholiciteit” zouden naast de Generale Synode 1948 ook de volgende hoogleraren met hun uitspraken als “sektarisch” moeten worden weggezet:
Prof. dr. K. Schilder heeft steeds tegen het concept van de onzichtbare kerk en de daaruit voorvloeiende pluriformiteit gestreden, en steeds het spreken van de NGB over “ware” en “valse kerk” verdedigd. Hij deed dit ook na de vrijmaking van 1944 in een artikel “Ware en valse kerk: veranderde betekenis der woorden” (K. Schilder, De Kerk, deel III, Oosterbaan & Le Cointre, 1965, pag. 359-363). In dit artikel uit 1950 vat hij terloops zijn oordeel over de Westminster Confessie samen: “lang niet gereformeerd inzake de kerkleer”.
Prof. dr. C. Trimp schrijftin 1964 m.b.t. onderscheid tussen onzichtbare en zichtbare kerk: “Het zou de moeite waard zijn te onderzoeken, hoe ver de kwade invloeden reiken (b.v. in Amerika) van de confessionele codificering van het onderscheid, zoals we die aantreffen in de Westminster-confessie van 1647 (Ch. XXV)” (De Reformatie jg 39, no. 34).
Prof. L. Doekes in 1970 (dus ná 1967): “Intussen hebben wij divergenties opgemerkt, die het ons onmogelijk maken deze Confessie integraal te aanvaarden en te onderschrijven. De manier waarop de Confessie spreekt over de kerk, geeft aanleiding tot gerechtvaardigde kritiek” (FQI Almanak (1970, pag. 145-192).
Het is dus onbegrijpelijk dat men valt over gebruik maken van de Drie Formulieren van Eenheid als toets bij beoordeling van kerkelijke contacten met kerken die de Westminster hebben.
Ook de synoden van DGK zijn immers gebonden aan deze Drie Formulieren van Eenheid, zelfs bekrachtigd door een afgelegde belofte. Zij moeten dus ook vanuit deze Drie Formulieren naar zusterkerkrelaties kijken en naar respectievelijk de betrouwbaarheid en de Schriftuurlijke toepassing van de Westminster Standards. Anders verzaken ze zelf hun afgelegde belofte.
Wat is de “leer van de katholiciteit”?
GS Dalfsen 2024 besluit in art. 6.01 om de zusterkerkrelatie met de LRC Abbotsford te beëindigen met als grond 2: “LRCA wijkt af van de gereformeerde leer als het gaat om de belijdenis van de katholiciteit van de Kerk”.
Wat leert onze gereformeerde belijdenis over de katholiciteit van de kerk? Over de zaak spreekt art. 27-29 NGB. Kort gezegd is “katholiciteit” eenheid in waarheid. Als er afwijking van de waarheid is (de kerk voldoet niet aan de drie kenmerken van de ware kerk, en ze verwerpt niet alles wat tegen Gods Woord ingaat) dan is er geen sprake van katholiciteit. Zie ook mijn artikel “Katholiciteit en dynamiek -1” (https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2023/11/11/katholiciteit-en-dynamiek-1/).
Letterlijk betekent katholiek: overeenkomstig het geheel. Dat duidt erop dat de kerk verbonden is met heel de kerk van Christus, zowel met de kerk in andere tijden als met de kerk op andere plaatsen. In eenzelfde land zal die verbondenheid er zijn door een kerkverband, in het buitenland zo mogelijk door zusterkerkrelaties. Tegelijk duidt katholiek erop dat de bewuste kerken de volle waarheid van Gods Woord vasthouden.
De katholiciteit van de kerk wijst dus niet op grote kerken, ook niet op vele kerken in een bepaald gebied, die al dan niet samenwerken. Het wijst op de ware kerk, die verbreid en verstrooid en soms heel klein en nauwelijks zichtbaar is en “toch met hart en wil samengevoegd en verenigd in eenzelfde Geest, door de kracht van het geloof” (art. 27 NGB).
De katholiciteit van de kerk staat tegenover valse oecumene, waarin kerken die de waarheid van Gods Woord niet vasthouden en verdedigen en dus niet voldoen aan de kenmerken van de ware kerk, elkaar ontmoeten en met elkaar samenwerken.
De katholiciteit staat ook tegenover pluriformiteit, waarbij verschillende kerken elkaar als kerk beschouwen terwijl er geen eenheid is in het ware geloof op een wijze die art. 27 en 28 NGB ons leren als bevel van God.
Het kan bij deze pluriformiteit gaan om kerken die wel de waarheid vasthouden maar niet tot de door Christus vereiste eenheid willen komen. Het kan bij deze pluriformiteit ook gaan om kerken die de waarheid niet ten volle vasthouden. In beide gevallen voldoen ze niet aan de katholiciteit van de kerk en zijn ze geen ware kerk.
In geval van LRC Abbotsford, dat terechte bezwaren heeft op grond van Schrift en belijdenis tegen open avondmaalpraktijken en het beoefenen van pluriformiteit is het van de kant van GS Lutten 2021 en GS Dalfsen 2024 een grote misvatting om te stellen dat LRC Abbotsford afwijkt van de gereformeerde leer over de katholiciteit van de kerk.
Juist het goed praten van een open avondmaal in de OPC en de CanRC zoals GS Dalfsen 2024 dat heeft gedaan (zie aflevering 5, https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2024/08/31/zijn-onze-kerken-veranderd-5/) is in strijd met de leer van de katholiciteit van de kerk, zoals beleden in zondag 27-29 NGB.
Dat geldt ook voor het goedkeuren van pluriforme conferenties zoals de ICRC (zie aflevering 2a https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2024/08/12/zijn-onze-kerken-veranderd-2a/)
(wordt vervolgd)
