LEZEN: Openb. 7:1-8: … En ik hoorde het aantal van hen die verzegeld waren: hondervierenveertigduizend waren er verzegeld uit alle stammen van de Israëlieten …
“Wie kan dan staande blijven?” Zo klonk de angstige vraag bij het openen van het zesde zegel met de realiteit van de grote dag. Daar waren ongelovigen aan het woord. Maar hoe staat het met de gelovigen? Daarover gaat het in Openb. 7 als voortzetting van het zesde zegel. Het sluit ook aan op de toezegging in 6:11 dat het aantal van de gelovigen compleet zal worden.
Wat Johannes ziet is nog toekomst. Dat geldt de verbijstering van de ongelovigen op de dag van het oordeel. Ook de verzegeling van de gelovigen, de mededienstknechten en broeders van de kerkleden in de hemel, is er mede met het oog op dit eindoordeel.
In dit gedeelte is sprake van verderfengelen. Zij voeren de catastrofe van de laatste dag over de hele aarde (vier windstreken) uit. Maar voordat zij in actie komen, klinkt een luide roep van een andere engel, een engel van het licht, van het evangelie. Hij heeft een zegelsteen van de levende God bij zich.
De andere vier moeten wachten met het brengen van onheil, totdat hij klaar is met het aanbrengen van het zegel aan de voorhoofden van de dienaren van God, de gelovigen.
In de stilte vóór de storm van het eindgericht, worden eerst Gods dienaren veiliggesteld. De vergadering van de kerk loopt niet vast in het eindgericht. De levende God (vs.2) zorgt ervoor dat Zijn dienaren als Zijn eigendom bewaard blijven in de catastrofe.
Wat is dit zegel? Het is de inwoning van de Heilige Geest. Hij is ons als onderpand gegeven (Ef. 1:13;2 Kor. 1:22). Door Hem zijn wij verzegeld tot de dag van de verlossing (Ef. 4:30)!
Zo is voor alle ware gelovigen de dag van Gods oordeel geworden tot de dag van de volkomen verlossing naar lichaam en ziel. De kerk die verzegeld is, wordt genoemd naar de stammen van Israël, de kerk van het oude testament. De gelovigen uit de heidenen zijn daarin opgenomen (Ps. 87:6, Openb.7:9).
Houden wij voldoende rekening met het eindgericht?
Zingen: Ps. 96:4,8
