LEZEN: Gen. 42:1-38
Er is ook hongersnood in Kanaän. Zo heeft de HEERE het gewild (Ps. 105:6). Hij wil zijn verbondskinderen de weg doen gaan van verootmoediging en bekering. Zodat hun verwachting is van de HEERE en eigenwilligheid wordt bestreden.
Voor Jakob is na Pniël en Bethel doorgaande reformatie nodig. Vooral zijn zonen hebben bekering nodig; denk aan wat gebeurde in Sichem, Dothan en Timna.
Het is inmiddels 22 jaar na de verkoop van Jozef. De HEERE heeft Jozef via gevangenschap en loslating onderkoning van Egypte laten worden, die de middelen beheert om mensenlevens te redden.
Heel deze geschiedenis staat in het teken van verlossing, die moet leiden naar de komst van de Christus. De broers zien er eerst tegen op om naar Egypte te gaan (vs.1). Zij zullen beseffen dat Jozef juist daar als slaaf is terecht gekomen.
Maar de nood is zo groot dat ze het bevel van hun vader opvolgen. Zonder Benjamin, over wie Jakob extra bezorgd is, gaan ze toch naar Egypte. Daar ontmoeten ze Jozef, die ze niet herkennen. Maar Jozef herkent hen wel en denkt aan de dromen die hij over hen gedroomd heeft.
Jozef wordt door de HEERE ook nu ingeschakeld als Zijn profeet. Hij moet handelen zoals de HEERE dat wil en aan hem openbaart. Dat houdt in dat hij de broers op de proef moet stellen, of ze zich wel aan God willen onderwerpen. Daar hoort bij dat ze aan God hun zonden belijden.
Jozef beschuldigt hen daarom als spionnen. Hun ontkenning daarvan is terecht, maar ze zeggen erbij: “we zijn eerlijke mensen”. Heel nauwkeurig doet Jozef nu navraag naar de familie. Zijn ze eerlijk? Zijn ze veranderd?
Jozef houdt vast aan zijn beschuldiging. Ze moeten daarom Simeon als gevangene achterlaten en keren met koren naar huis om Jakob te vragen om toch Benjamin, zijn lievelingskind, op hun tweede reis mee te laten gaan.
Maar Jozef bemoedigt hen ook: “Ik vrees God”. Er is inmiddels besef dat hun benauwdheid gevolg is van hun vroegere meedogenloze haat (vs. 21).
De gave van geld en proviand moeten ze zien als genadegeschenk.
Waarom herkennen ze Jozef niet en hij hen wel?
Zingen: Ps. 15:1,2
