LEZEN: Gal. 5:19-23: Het is bekend wat de werken van het vlees zijn … wie zulke dingen doen, het koninkrijk van God niet zullen beërven … De vrucht van de Geest … daartegen richt de wet zich niet.
Tegenover “onder de wet” zijn staat niet “zonder wet” zijn, maar “door de Geest” wandelen. Tegenover “werken van het vlees” staat niet het ontbreken van werken, maar “de vrucht van de Geest”.
Steeds is nodig dat wij ons beproeven op ons gedrag, spreken en denken. Steeds is die beproeving nodig omdat ook gelovigen die van genade willen leven, met hun oude mens de neiging hebben om God en hun naaste te haten. De waarschuwing van Paulus tegen een zondig gedrag gaat elke gelovige aan.
Dat geldt ook voor wat Paulus in vers 15 zegt: “als u elkaar bijt en verslindt, pas dan op dat u niet door elkaar verteerd wordt”. Vanaf vers 19 volgen nog meer werken van het vlees.
Die zijn niet alleen bedoeld als waarschuwing voor hen die het van de wet verwachten, maar voor hen die het van Christus verwachten. Ook zij kunnen door hun zondige natuur zonden doen waarmee ze de Heilige Geest bedroeven. Toch kennen zij de weg van bekering waarop zij vergeving kunnen vragen en bidden om de Heilige Geest om hen te helpen strijden tegen hun verkeerde begeerten en daden. In die weg kruisigen zij hun oude mens keer op keer.
Maar zij die het van de wet verwachten en het dus bij zichzelf zoeken, leven niet in ware gemeenschap met Christus en Zijn Geest en zullen daarom juist door dezelfde wet waar zij hun vertrouwen op stellen, worden veroordeeld.
Tegenover de werken van het vlees staan de vruchten van de Geest. Die kunnen er alleen zijn voor hen die heel hun gerechtigheid en zaligheid in Christus zoeken en smeken om Zijn Heilige Geest. In Zijn kracht zullen ze steeds meer naar het beeld van God vernieuwd worden (zondag 44, HC).
Daarbij zullen ze de zonden hoe langer hoe meer willen haten en ontvluchten en steeds meer tot eer van God willen leven in liefde tot Hem en de naaste die Hij op hun weg plaatst.
Haten en ontvluchten we bewust de zonde? Hoe?
Zingen: Ps. 25:6,7
