LEZEN: Rom. 2:12-24: … Zo zal het gaan op de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, overeenkomstig mijn evangelie …
In de ogen van de HEERE komt het erop aan dat je niet alleen een hoorder bent van Gods wet, maar vooral ook een dader. Het hebben en lezen van Gods wet maakt iemand niet automatisch zalig. Ook het kerklidmaatschap niet.
Je kunt ook niet leven met het idee dat je zonden als gedoopte toch wel vergeven zijn. Dit verbonds-automatisme dat wel in sommige kerken voorkomt, is funest voor een gezond geloofsleven.
De Joodse leer van wetsgerechtigheid waarbij de mens op eigen kracht Gods wet kan onderhouden en God kan behagen, is even funest. Daarin wordt geen rekening gehouden met de zondige aard van de mens, die alleen door wedergeboorte van Gods genade kan leven.
Bovendien praat men zijn eigen zondige handelen goed. In beide gevallen – verbondsautomatisme en wetsgerechtigheid – is er geen geloof in afhankelijkheid van Jezus Christus als je Zaligmaker, waarbij Zijn Heilige Geest Gods wet in je hart schrijft.
Gods wet heeft niet afgedaan, maar zal in Christus de juiste plaats in je leven krijgen. Jezus maakte dit heel duidelijk in Matt. 7:21: “Niet ieder die tegen Mij zegt: Heere, HEERE, zal binnengaan in het Koninkrijk der Hemelen, maar wie de wil doet van Mijn Vader, Die in de hemelen is.”
Ook hooghartig roemen in het onderhouden van de wet wijst Paulus af. Ontdek je zonden en zie in dat je in alles van Christus afhankelijk bent, ook voor het onderhouden van Zijn wet als eis van Zijn verbond. Vraag juist steeds vergeving en leef in dankbaarheid naar Gods wet.
Het veroordelen van anderen is een ernstige zonde, omdat je je eigen zonden niet ziet en de plaats van God wil innemen.
In de verzen 14 en 15 stelt Paulus dat ook heidenen soms handelen overeenkomstig Gods wet. Het werk van de wet (niet de wet zelf) is in hun hart geschreven. Zo weerhoudt God de totale wetteloosheid in de samenleving.
Bidt je elke dag voor de Geest om naar Gods wet te kunnen leven?
Zingen: Ps. 1:3
