LEZEN: Rom. 2:25-29: … hij is Jood, die het in het verborgene is, en dát is besnijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de letter. Zijn lof is niet uit mensen, maar uit God.
Het bezit van de wet maakt Joden niet zalig. Ze zijn van zichzelf niet beter dan heidenen. Dat geldt ook de besnijdenis. Besneden zijn zonder het houden van de wet heeft geen enkele waarde.
Ook de heilige doop en het heilig avondmaal hebben geen waarde als je niet in geloofsgehoorzaamheid naar Gods Woord en uit de vergeving van je zonden leeft. Gods verbond heeft twee delen, namelijk een belofte en een eis (zie doopsformulier).
We worden door God in de doop geroepen en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Ook is deelname aan het Heilig Avondmaal alleen toegestaan als je niet in zonden leeft (zie avondmaalsformulier).
Paulus maakt de conclusie dat als iemand wel naar Gods Woord leeft maar niet besneden is, in Gods ogen gelijk is aan iemand die datzelfde doet maar ook besneden is. De twee gronden waarop de Joden hun vertrouwen stellen met het oog op hun zaligheid, namelijk het hebben van de wet en het besneden zijn, worden door Paulus ontoereikend verklaard.
De wet is geen goede grond omdat niemand de wet in alle onderdelen kan houden. De besnijdenis is dat niet omdat het een uiterlijke zaak is die niets over het innerlijk zegt.
Zo moeten de lezers van de brief wel aanvaarden dat de mens alleen voor God kan bestaan als hem de gerechtigheid van Christus door geloof wordt toegerekend (zie 1:17; 3:21-24; 5:1).
Niet het lid zijn van het Joods volk als het vleselijke nageslacht van Abraham, maar alleen het gelovig zijn als het geestelijke nageslacht van Abraham, maakt dat ze Gods kinderen en erfgenamen zijn.
Dat is een zaak van pure genade, die het innerlijk van de mens aangaat. Dat zal dan ook uit hun geloofsdaden blijken.
Dan is er geen roem van mensen, maar goedkeuring van God vs.29)!
Wat is voor ons dan de betekenis van de doop?
Zingen: Ps. 86:4
