LEZEN: Rom. 3:1-8: … Als nu onze ongerechtigheid de gerechtigheid van God bevestigt wat zullen wij dan zeggen? Is God onrechtvaardig als Hij toorn over ons brengt? …
In het voorafgaande hoofdstuk wordt gesteld dat het hebben van de wet en de besnijdenis voor Joden op zichzelf geen waarde heeft, als dat niet gepaard gaat met een hart dat naar God uitgaat en een leven dat daarbij past.
Dat kan de vraag oproepen wat voor nut het dan heeft om Jood te zijn. Betekent dat een bevoorrechtte positie? Daar antwoordt Paulus niet negatief op. Als voorrecht noemt hij dat God Zich aan het Joodse volk heeft geopenbaard. Hij heeft met hen een verbond gesloten, Hij heeft hen Zijn verbondswoorden en verbondswet gegeven (Oude Testament). Het zijn voorrechten, maar op zichzelf geen garanties voor verlossing.
Want wat blijft van dat voorrecht over als het volk ongehoorzaam en ontrouw aan de HEERE is geworden? Dat laatste ontkent Paulus niet, maar hij stelt dat God van Zijn kant trouw is gebleven aan Zijn volk.
Paulus zal later in zijn brief uitvoeriger ingaan op de positie van Israël in de hoofdstukken 9-11, in het bijzonder 9:4,5. Voor nu stelt hij vast dat God waarachtig is. Hij komt Zijn woord na, en is getrouw in vloek en zegen. Ook in Zijn oordeel, ook in Zijn toorn, laat God zien dat Hij heerlijk is, onveranderlijk trouw en volkomen rechtvaardig.
Juist onze zonden en overtredingen brengen Zijn recht en gerechtigheid aan het licht. Wij zijn als mensen niet waarachtig, wij zijn juist leugenaars.
God is echter waarachtig ook als Hij onze zonden ontmaskert en oordeelt. Zijn straf over verbondsbreuk is dan ook volstrekt niet onrechtvaardig. Integendeel. Dat God door Zijn terechte toorn te tonen verheerlijkt wordt, mogen wij niet afwijzen alsof Hij niet zou mogen oordelen.
Ook mag dat voor ons mensen nooit een reden zijn om maar te blijven zondigen met het idee dat onze zonden dienstbaar zijn aan het goede, namelijk de verheerlijking van God. Wie zo denkt of spreekt, lastert God en verdient dan ook zelf Zijn oordeel.
Hoe ernstig vinden wij onze eigen zonden?
Zingen: Ps. 51:2
