LXXVIII. De ware Christen de beste burger
1. Komt, Christnen! toont met woord en daad,
Dat, wie de ware godsvrucht smaad,
Een Christen zonder huichlarij
Altijd de beste burger zij.
2. Zich zijner roeping steeds bewust
Werkt hij in zijnen kring met lust;
Hij streeft naar grootheid, geld, of goed,
Nooit hooger, dan hij streven moet.
3. Zoo, vlijtig in zijn eigen werk,
Jaagt hij naar rang in Staat, noch Kerk;
Wat God hem geev’, of wat hij miss’,
Hij schaamt zich nooit het geen hij is.
7. Zoo, Heiland! zijt Gij voorgegaan,
Zoo hebt Gij zelf ons voorgedaan;
Gij, die de Vorst der Vorsten waart,
Werdt dienstknecht op uw eigen aard.
8. O! dat uw voorbeeld elk en mij,
Als mensch en burger, heilig zij;
Dan wordt nooit, in den burgerstaat,
Uw naam, om mijnentwil, gesmaad.
Hart uit het evangelie
Bovenstaand lied is Gezang 78 uit de bundel Evangelische Gezangen, in 1807 verschenen en ingevoerd. [i] De bundel telde 192 gezangen om te zingen naast de psalmen.
In de coupletten hierboven wordt heel duidelijk zichtbaar dat de bundel de theologie van de Verlichting ademde. Een theologie die in Nederland zich ontwikkelde tot wat we noemen de ‘Groninger School’ (Met o.a. de bekende hoogleraar P. Hofstede de Groot). Daarbij werd de kerk een menselijke vereniging. Wel goed en vroom en belangrijk, maar niet het volk van God zoals we dat kennen uit de Bijbel. God werd een wat onpersoonlijke macht, ver en verheven. Christus werd de grote Leraar en Opvoeder. Godsvrucht werd deugdzaamheid en braafheid. In de Groninger School werd afgerekend met de verzoening door voldoening. Christus heeft slechts één natuur, een godmenselijke, een mengeling (Eutyches, geloofsbelijdenis van Athanasius). De kruisdood was om de mensen te laten schrikken van hun slechtheid. Verlossing betekende dat de mens in zekere zin gelijkvormig wordt aan God door Zijn Woord ter harte te nemen en naar Christus voorbeeld volmaakt te leven.
Als op die manier het hart uit het evangelie wordt gehaald, en dat was in 1807 al zichtbaar, blijft er weinig over. Het verbond en het leven uit het verbond, is helemaal weg.
Gezang 78 is daar een duidelijk voorbeeld van. Nee, niet alle gezangen zijn zo duidelijk los van Gods Woord en er zelfs tegenin. Er zijn vooral veel lofzangen opgenomen voor de Goede Vader en de Heerlijke Christus. Maar heel de bundel ademt de geest van een menselijk evangelie. Een anti-evangelie. Hoewel in het voorwoord is opgenomen dat alle gezangen niet in strijd zijn met de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels, zijn dat lege woorden. ‘Dordt’ is in deze bundel volkomen losgelaten.
Dwang en verzet
Door de overheid (er was nog steeds geen sprake van een generale synode en die kwam er ook na de Franse Tijd, 1795-1813 niet) werd het zingen uit de Enige Gezangen verplicht gesteld. Uit de kerken kwam veel verzet tegen de bundel en daarmee tegen het zingen van gezangen in het algemeen. Verzet tegen de dwang èn tegen de inhoud. Tenslotte werd de regel uitgevaardigd dat in iedere kerkdienst tenminste één lied uit de nieuwe bundel moest worden gezongen. Het is interessant om te lezen over die tijd en over de manieren waarop predikanten en kerkleden daar onderuit probeerden te komen. Sommige predikanten gaven één keer één vers op en dat herhaalden ze in iedere dienst, steeds hetzelfde vers. Zodat het z’n waarde verloor. In andere kerken zetten mensen met opzet een hoed op als een gezang werd opgegeven. Of ze lieten alleen het orgel spelen. Of ze gingen eventjes naar de gang. Soms werd bewust een andere tekst gezongen. Het gaf veel onrust. Meerdere predikanten en kerkenraadsleden zijn vanwege deze zaak, die aangeduid werd als ‘de gezangenkwestie’, geschorst en zelfs af
De invoering van de gezangen ging gelijk op met het afschaffen van de Dordtse Kerkorde en de invoering van het Reglement voor de Hervormde Kerk in 1816 en daarbij het loslaten van de oude tekst van het ondertekeningsformulier (leervrijheid).
Afscheiding
Tenslotte ging de gezangenkwestie ook een belangrijke rol spelen bij de Afscheiding. In 1834, toen er al veel beroering was en ds. Hendrik de Cock al was geschorst, verscheen er een boekje tegen de 192 gezangen. Het was van de hand van een zekere Jacobus Klok. Geen predikant maar een handelsman uit Delfzijl. Zijn boekje was grondig en fel. Hij stelde vast dat de gezangen volledig in strijd waren met de gereformeerde leer.
En ….. ds. De Cock schreef een voorwoord waarin hij het boekje aanprees en de inhoud volkomen voor zijn rekening nam. Omdat De Cock weigerde dit terug te nemen werd hij uiteindelijk, na een uitvoerige procedure en een beroep op de koning, afgezet als predikant. Opmerkelijk: tijdens de hele procedure werd consequent, hoewel De Cock daar meerdere keren nadrukkelijk om vroeg, niet ingegaan op de argumenten die in het boekje van Klok naar voren werden gebracht! Het ging om de onrust die het veroorzaakte …….
De gezangenkwestie speelde daarna bij meerdere zaken tegen predikanten, die zich hebben afgescheiden, een rol.
De afgescheiden kerken besloten terug te keren naar de besluiten van de Dordtse Synode en alleen de 9 gezangen te zingen die daar waren vastgesteld, verder zongen ze geen gezangen.
Abraham Kuyper
Voor en na de Doleantie is de stem van dr. Abraham Kuyper belangrijk als het gaat om de gezangen. Kuyper heeft er op verschillende plaatsen over geschreven. De dolerende kerken, voor de Vereniging van 1892, waren met de Evangelische Gezangen opgegroeid. Toch was er altijd binnen de Hervormde Kerk veel verschil van mening gebleven. Kuyper was uiteindelijk om twee redenen tegenstander van het gebruik van de Evangelische Gezangen. In de eerste plaats had de bundel nooit uitgegeven mogen worden. In de Dordtse Kerkorde, die in 1807 nog geldig was, stond de bepaling (art. 69, nu art. 67) dat alleen de psalmen en gezangen worden gezongen die door de generale synode zijn aanvaard. Maar de bundel van 1807 was niet uitgegeven door een synode maar door de overheid. En daarom in de kerken niet geldig.
In de tweede plaats had Kuyper bezwaar tegen wat hij noemde de evangelische inhoud. Evangelisch nu in de betekenis van afwijkend van de Schrift en de gereformeerde leer, in de lijn van de bovengenoemde Groninger School. Hij stelde o.a. ook dat uit de geschiedenis bleek dat invoering van veel vrije liederen altijd samen ging met afval in de leer van de kerk.
Tegelijk sprak Kuyper wel genuanceerd over de vraag naar het zingen van gezangen. Hij hield toch ook steeds de mogelijkheid om ook gezangen te zingen open, het was niet geheel onmogelijk.
Vereniging
De gezangenkwestie was geen punt van discussie bij de Vereniging van 1892. Kuyper was toen van mening (hij schoof af en toe wel wat heen en weer) dat het ging om een ondergeschikt punt. En de afgescheiden kerken hadden geen behoefte om er over te beginnen.
Toch bleef er op de achtergrond aldoor wel discussie over de vraag of er in de eredienst ook gezangen mochten worden gezongen, naast de gezangen genoemd door de synode van Dordt. In latere jaren schreef Kuyper dat de psalmen, door de Heere zelf gegeven, altijd voorrang hebben. Maar dat de Heere ook andere liederen in de kerk kon geven, door mensen, geleid door de Geest. Hij zou het een goede zaak vinden om daar eens over na te denken. Maar, alweer, hij vond het niet waard om daarover een discussie in de kerken op gang te brengen. Af en toe kwam de vraag wel op kerkelijke vergaderingen maar steeds werd vermeden om er echt op in te gaan. De kerken hielden zich aan ‘Dordt’.
Tot aan het begin van te twintigste eeuw. Dan komt opnieuw de vraag naar meer gezangen opnieuw sterk naar voren in de kerken. Daarover hopen we in een volgend artikel te schrijven.
(wordt vervolgd)
[i] Geciteerd uit ‘Evangelische Gezangen’, via DBNL – Inhoudsopgave van Evangelische Gezangen, om nevens het Boek der Psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde Gemeenten gebruikt te worden – DBNL
