Na de Vereniging in 1892 kwam af en toe de vraag naar gezangen wel op kerkelijke vergaderingen maar steeds werd vermeden om er echt op in te gaan. De kerken hielden zich aan ‘Dordt’. Tot de jaren twintig van de twintigste eeuw. Dan komt opnieuw de vraag naar meer gezangen opnieuw sterk naar voren in de kerken, zo besloten we ons vorige artikel.
Bewogen tijd
We hebben het dan over de periode grofweg van 1914 tot 1930. Een bijzondere en bewogen tijd in de geschiedenis van De Gereformeerde Kerken. Een tijd van reactie op sleur, ingeslapenheid, gebrek aan kennis. De tijd van de zogenaamde ‘beweging der jongeren’, de volgende generaties predikanten, na dr. A. Kuyper en zijn tijdgenoten. Het was de tijd van zoeken naar verbinding over kerkmuren heen (Zo was er de Calvinistenbond, een interkerkelijk streven van studenten ), van ds. J. B. Netelenbos (deze ging voor in erediensten buiten het kerkverband), van dr. J.G. Geelkerken (hij loochende de historische waarheid van Genesis 3). Een tijd waarin geroepen werd om een nieuwe belijdenis om de ‘ouderwetse’ en ‘achterhaalde’ (zo zei men) Dordtse Formulieren van Eenheid te vervangen. Er waren geluiden over de noodzaak van aanpassen aan een nieuwe tijd. Er waren ingrijpende discussies over het Schriftgezag en over de kerk. Is er iets nieuws onder de zon?
Maar tegelijk ook was het een tijd van grote waakzaamheid om bij de gereformeerde leer te blijven. Een roep om voortdurende nieuwe reformatie. Een tijd waarin de eerste ritselingen van een nieuwe manier van preken al zichtbaar werden (verbondsmatig, heilshistorisch).
We moeten er in ons verband kort over zijn. Maar in deze bewogen tijd van de kerk komt dan opnieuw de vraag naar gezangen weer aan de orde.
Bijzondere betekenis
Op de Generale Synode van ’s Gravenhage, in 1914, komt de vraag naar meer gezangen voor het eerst weer serieus op tafel. Ook komt de vraag naar voren of er niet een algemene regeling moet worden vastgesteld voor de liturgie.
De synode stelt een commissie in die de aanbeveling doet om nú (het is niet urgent) niet op de vragen in te gaan. Een interessante overweging in het commissierapport, heel herkenbaar, is: “Het woord ‘Gezangen’ heeft in ons kerkelijk leven een bijzondere betekenis; het maakt bij velen een gevoel van vrees en onzekerheid wakker; een groot verschil van gevoelen over deze zaak.”[i]
De synode volgt het advies van de commissie.
Deputaten
Twee synodes later komt de vraag opnieuw op de synodetafel (Leeuwarden, 1920) om het kleine bundeltje ‘Enige Gezangen’ uit te breiden. Er is een verzoek van de PS Noord-Holland en van de kerkenraad van Amsterdam-Zuid. Ook ligt er een brief met daarbij een concreet voorstel met 51 liederen. Een groot deel daarvan komt uit de bundels die in gebruik zijn in de Nederlandse Hervormde Kerk!
De synode heeft zich diepgaand en uitvoerig bezig gehouden met de vragen en voorstellen. Men is in meerderheid niet voor het overnemen van de 51 liederen. De synode is daar zelfs heel stellig over en verwijst o.a. naar de gezangenstrijd in de aanloop naar de Afscheiding. Tenslotte wordt besloten om een deputaatschap (een kerkelijke commissie) in te stellen die opnieuw naar de al tientallen jaren in gebruik zijnde ‘Enige Gezangen’ moet gaan kijken. En die met voorstellen moet komen voor uitbreiding met berijmde of onberijmde Schriftgedeelten.
Ook krijgt dit deputaatschap opdrachten om te kijken naar de psalmberijming, de complete liturgie, formulieren e.a. Zeg maar naar vernieuwing van het hele gereformeerde kerkboek.
Aan de ene kant is de synode erg terughoudend. Aan de andere kant wordt een eventuele uitbreiding van de gezangen en aanpassing van het kerkboek zo toch op de rails gezet.
Nader principieel onderzoek
Deputaten krijgen een zeer omvangrijke opdracht. Ze kunnen hun hele opdracht dan ook niet voor de volgende synode (Utrecht, 1923) voltooien. Op die synode ligt ook een groot aantal bezwaren tegen de besluiten van de Leeuwarden. Met allerlei argumenten. Van een volmondig ‘nee’ tegen o.a. meer gezangen tot de mening dat het te snel ging en dat de kerken er niet op waren voorbereid en niet geleidelijk konden meegroeien.
M.b.t. de gezangen bieden de deputaten een uitbreiding aan met 14 liederen. Maar de synodeleden vinden de uitbreiding niet echt goed. Algemeen zijn de afgevaardigden van oordeel dat de hele zaak van de gezangen eerst nader moet worden onderzocht. De zaak van wat men noemt ‘het vrije kerklied’, dat is de vraag naar gezangen die geen berijmde of onberijmde Schriftgedeelten zijn, moet eerst in zijn volle breedte en diepte principieel worden bekeken en beantwoord.
Ja, maar nog niet
Vanwege de omvang van het werk komt de zaak van de gezangen pas weer in 1930 op de generale synode (Arnhem, 1930). Het principiële onderzoek is nog niet afgerond. Op deze synode is veel discussie geweest. De voorstellen van deputaten worden ook nu niet zonder meer aangenomen. Uiteindelijk besluit de synode toch om de ‘Enige Gezangen’ uit te breiden met een aantal berijmde of onberijmde Schriftgedeelten en/of liederen die heel nauw bij de Bijbel aansluiten.
Een concrete en betekenisvolle stap dus. Máár …… tegelijk krijgen deputaten een soort ‘wachtverbod’: met de concrete uitvoering van het besluit moet gewacht worden tot ook het principieel onderzoek naar het zingen van gezangen is voltooid en een volgende synode daarover een beslissing heeft genomen.
Negenentwintig Gezangen
Dan komt de Generale Synode te Middelburg, in 1933. Voor velen van ons hopelijk een bekende naam. Niet alleen wordt daar een nieuwe gezangbundel vastgesteld maar ook een herziening van het hele kerkboek en een algemene liturgie. In ons huidige kerkboek terug te vinden als ‘Orde van Dienst A (Middelburg), pag. 507-509. Belangrijk omdat er in die jaren heel veel wildgroei was en veel predikanten deden ‘wat goed was in hun ogen’.
Wat de gezangen betreft: deputaten bieden een nieuwe bundel aan van 29 gezangen. Met alleen liederen, zo stellen zij, die nauw aansluiten bij de Schrift. Ze hebben gekozen uitsluitend voor liederen van dichters die al overleden zijn. En ze hebben er weinig of niet aan geschaafd, om de dichters recht te doen. Bovendien mag dat niet altijd zomaar.
Wat het principiële onderzoek betreft: vastgesteld wordt door de synode dat het geheel helemaal in overeenstemming is met de regels van ‘Dordt’. Op de synode zijn ook geen principiële bezwaren ingebracht tegen ‘Arnhem’, alleen praktische.
Met een zeer grote meerderheid worden dan ook de ‘Negenentwintig Gezangen’ aangenomen.
Op de volgende synode, te Amsterdam, 1936, worden meer dan honderd bezwaarschriften ingediend. Ze worden uiteindelijk allemaal verworpen omdat, zo stelt de synode, de bezwaren niet gegrond zijn op Schrift en/of belijdenis. En de synode doet een klemmend beroep op de kerkleden om elkaar in middelmatige zaken, die niet tegen Gods Woord ingaan, te verdragen.
In het rapport over de gezangen, in 1933, wordt de suggestie gedaan dat nu de weg open staat voor verdere uitbreiding. Maar de deputaten stellen dat dit niet de bedoeling is en dat de eerste vijftig jaar niet moet worden geprobeerd de ‘Enige Gezangen’ verder uit te breiden.
Dat woord is ook werkelijkheid geworden: pas in 1975 kwam er een nieuwe eerste ‘proefbundel’ (aan veel ouderen onder ons waarschijnlijk nog wel bekend) en in 1984 een definitieve uitbreiding, 51 jaar na Middelburg, die we tot op vandaag in de eredienst gebruiken.
Daarover hopen we in een volgend artikel het een en ander te vertellen.
[i] Geciteerd via: dr. G. Kunst, Kerkzang in de Nederlanden, Kok, Kampen, 1981
