Het is intussen weer even geleden dat de zaak Abbotsford op deze website is besproken.
In een vijftiendelige serie met als titel “Waarheid en recht als grond voor eenheid” is al uitgebreid gesproken over onderliggende zaken (https://www.bouwen-en-bewaren.nl/?s=Waarheid+en+recht.)
Ook is door mij al ingegaan op het besluit van GS Dalfsen 2024 om de zusterkerkrelatie met Abbotsford te beëindigen na het afwijzen van meerdere bezwaarschriften. We spraken er over in aflevering 5-7 van de serie “Zijn onze kerken veranderd?” (https://www.bouwen-en-bewaren.nl/category/artikel-van-de-week/zijn-onze-kerken-veranderd/).
Er was genoeg reden om tegen dit besluit in beroep te gaan bij de eerstvolgende synode: GS Groningen 2024. Echter niet alle bezwaarschriften die ingediend zijn bij deze “buitengewone synode”, waar de vereniging van DGK en GKN werd voorbereid, zijn daar behandeld. Zo besloot deze synode bezwaarschriften tegen de besluiten van GS Dalfsen 2024 over de zusterkerkrelatie met LRC Abbotsford niet ontvankelijk te verklaren, omdat ze “de vereniging niet zouden raken”. Wel werden bezwaarschrijften tegen het besluit van Dalfsen over de Opleiding tot de Dienst van het Woord behandeld.
Was dat terecht? De bewaren betroffen o.a. het oordeel van GS Dalfsen over de gronden voor de vrijmaking van Abbotsford (waaronder open avondmaalsviering en ontbreken van binding aan de belijdenis). Juist deze zaken hebben betrekking op OPC (Orthodox Presbyterian Church) en CanRC (Canadian Reformed Churches), kerken die op de gezamenlijke synode van Groningen-Kornhorn 2024-2025 in aanmerking kwamen voor een kerkelijke relatie. Er is daar zelfs besloten tot een zusterkerkrelatie met CanRC en een correspondentierelatie (voorloper van definitieve zusterkerkrelatie) met OPC (Acta pag. 58,59).
Deze relaties houden in, dat leden van deze buitenlandse kerken voortaan in principe aan mogen gaan aan de tafel van het Heilig Avondmaal in de Gereformeerde Kerken (Bijlage van de Instructie deputaatschap betrekkingen buitenlandse kerken, BBK, GS Groningen-Kornhorn 2024, Acta pag. 61,62). Ook mogen predikanten van deze kerken in principe voorgaan in onze erediensten. Over deze laatste twee zaken beslist nog wel de plaatselijke kerkenraad (Acta pag. 62).
Alles bij elkaar genomen, is het niet ontvankelijk verklaren van bezwaarschriften tegen het opheffen van de zusterkerkrelatie met LRC Abbotsford, in de context van de vereniging DGK-GKN niet te verdedigen. De zaken die bij deze zusterkerkrelatie aan de orde zijn, betreffen immers in grote mate ons oordeel over het al dan niet aangaan met meerdere buitenlandse kerken.
Op de synode van Groningen/Kornhorn bleek tevens dat er op de synodetafel genoeg onduidelijkheid bestond over de zaken van binding aan de belijdenis en de viering van het heilig avondmaal. Er werd daarom besloten om aan deputaten de opdracht te geven over deze zaken helderheid te krijgen (Instructie deputaatschap betrekkingen buitenlandse kerken, BBK, art. 10, Acta pag. 60).
Toch wordt de zaak nog schrijnender. GS Dalfsen 2024 heeft de gronden voor de vrijmaking van LRC Abbotsford omschreven als “oneigenlijk” (Acta GS Dalfsen, pag. 52). “Oneigenlijk” zal hier betekenen ongeldig, niet legitiem. Dus de meest gewichtige gronden voor de vrijmaking van LRCA Abbotsford – de heiligheid van het Avondmaal, en de binding aan de belijdenis, zaken die de kenmerken van de ware kerk aangaan (!) – waren naar het oordeel van GS Dalfsen ongeldig.
Zoals we eerder zagen hebben voorgaande synoden (Emmen GS 2009, Groningen GS 2014 daar zo heel anders overgesproken (https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2024/08/31/zijn-onze-kerken-veranderd-5/). Zij kwamen er op uit dat deze gronden Schriftuurlijk en confessioneel waren, en dus eigenlijk, geldig. Wat was dan de maatstaf bij GS Dalfsen 2024? Toch zijn nu juist dezelfde afgewezen gronden weer onderwerp voor onderzoek, maar nu los van LRC Abbotford.
Is dit de rechte weg bewandelen? Eerst onze zusterkerk LRC Abbotsford afwijzen met veroordeling van hun principiële gronden als zijnde ongeldig, om erna onderzoek te doen naar juist dezelfde zaken, die voor Abbotsford gronden voor hun vrijmaking vormden?
Deze ontwikkeling had misschien voorkomen kunnen worden door de bezwaarschriften tegen GS Dalfsen wel ontvankelijk te verklaren en te behandelen. Waar de generale synoden van 2024-2025 de kerken nu in achterlaten is een niet te verdedigen wrange situatie waarbij zij niet alleen LRC Abbotsford tekort deden, maar ook de eigen kerken.
Het lijkt er sterk op dat LRC Abbotsford hoe dan ook opzij moest om de connecties met andere buitenlandse kerken mogelijk te maken (zie ook: Acta Groningen 2014, art. C.03.1). Intussen zijn deze connecties actief geworden terwijl er nog fundamentele vragen beantwoord moeten worden. Is dat de goede volgorde? Is dat recht?
Aangezien ook de plaatselijke kerken verantwoordelijkheid dragen voor synodebesluiten, en ook kerkleden die het vermogen hebben om een verantwoord bezwaarschrift te schrijven zich daartoe mogen opgeroepen weten, verwijs ik de lezers graag nogmaals naar bovengenoemde artikelen op deze website, waarin veel breder de principiële achtergrond van de zaak Abbotsford wordt belicht.
Daar wordt ook ingegaan op de situatie binnen de CanRC zelf (https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2024/08/31/zijn-onze-kerken-veranderd-5/), en op het onterechte verwijt van GS Dalfsen 2024 dat de LRC Abbotsford in strijd is met de leer van de katholiciteit van de kerk (https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2024/09/07/zijn-onze-kerken-veranderd-6/).
De sluitingsdatum voor het inzenden van bezwaarschriften is vastgesteld op: 28 februari 2026.
In een volgend artikel wil ik schrijven over de CanRC, die inmiddels ook van haar kant zich tot buitenlandse zusterkerk van de Gereformeerde Kerken heeft verklaard.
(wordt vervolgd)
