LEZEN: Jona 3:10: Toen zag God wat zij deden, dat zij zich bekeerden van hun slechte weg. En God kreeg berouw over het kwade dat Hij gezegd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.
Het ene wonder rijgt zich hier aan het andere. Ja, God Zelf verbindt in Zijn handelen het één met het ander. Het heeft ook óns alles te zeggen. De wonderlijke redding van Jona en de wonderlijke bekering van Ninevé krijgen in vers 10 een even wonderlijk vervolg.
God laat in alles zien wie Hij is in Zijn heiligheid, heerlijkheid, rechtvaardigheid en barmhartigheid. De in en in goddeloze stad Ninevé wordt nu door Hem gespaard! God krijgt berouw!
Betekent dit dat God veranderlijk is? Nee. Bij God bestaat nooit iets tegenstrijdigs, ook al kan dat in onze ogen zo lijken. Gods Woord laat zien dat Hij almachtig en onverander-lijk trouw is aan Zichzelf. Hij is onveranderlijk in Zijn raad: wat Hij in Zijn raad heeft vastgesteld, zál gebeuren. Dat geldt voor de uitverkiezing: al wie in het boek van het Lam staan, zal zalig worden.
Verder geldt: God is niet alleen volkomen rechtvaardig, maar ook volkomen barmhartig. Juist dat is iets wat ons verstand te boven gaat. Daarnaast is belangrijk dat de HEERE over Zichzelf tot ons spreekt met mensvormige (“antropomorfe”) omschrijvingen zodat wij het kunnen begrijpen.
Als de HEERE dreigt met Zijn brandende toorn, zal Hij Zijn toorn laten varen als er oprechte bekering komt. Dan past de HEERE Zijn houding aan op de reactie bij de mensen.
Dat betekent niet dat mensen Gods handelen bepalen. Want het is God Zelf die zorgt voor bekering. Maar God laat zo zien dat Hij zich laat verbidden, dat Hij innerlijke ontferming heeft. Al dat smeken en bidden, al die uitingen van bekering zijn zaken die juist óók in Zijn raad zijn opgenomen. Zaken die voor ons tot dan nog verborgen waren.
God wil gebeden worden om ons Zijn barmhartigheid te tonen. Zijn dreigen kan leiden tot bekering. Dan zal Hij Zijn aangekondigde straf niet uitvoeren.
Dát noemt God berouw over het kwaad waarmee Hij gedreigd had. De HEERE geeft zo op voor ons begrijpelijke wijze aan dat Hij daarvan afziet.
Aan wie heeft God geen “berouw” getoond?
Zingen: Ps. 86:2
