LEZEN: Ps. 68: 1-36: … versterk, o God, wat U aan ons gedaan heeft ….
Dit is een uitgebreid loflied op de zegetocht van de HEERE. Zijn handelen staat centraal. De grote lijn is Gods overwinningsweg, een triomfmars, die door David enthousiast en met gejuich beschreven wordt.
Gods handelen is gericht op Zijn verbondsvolk. Hij ging voor haar uit naar het beloofde land en toonde allerlei indrukwekkende natuurverschijnselen waarin Zijn almacht als Schepper en Verbondsgod uitkwam (vs.8).
Tegelijk toonde Hij richting Zijn volk Zijn hulp, goedheid en liefdevolle zorg (vs.10). Hij ontfermde Zich speciaal over hen die het minst bedeeld waren en in de verdrukking dreigden te komen: de weduwen en de wezen (vs.6,7).
Ook deed de HEERE alle volken wegvluchten en veroverde Hij het land Kanaän (vs.12-15, vgl. Ps. 78:50-55; 105:39-45;). Steeds als vijanden kwamen om Zijn volk te verdrukken, was Hij een machtige Helper, Die de vijandelijke machten uiteensloeg en Zijn volk verloste.
Maar de HEERE wilde niet alleen voorspoed voor Zijn volk, Hij wilde Zelf wonen temidden van Zijn volk om met hen gemeenschap te hebben. Onder de regering van David trok Hij daarom onder gejuich op met de ark, omhoog naar de berg Sion te Jeruzalem, nadat Hij de Filistijnen vernederd had (vs.16-19).
Daar in Zijn heiligdom wilde Hij wonen om van daaruit Zijn volk Zijn zegen te blijven geven (vs.20,21), en door hen geëerd te worden (vs.26-28). Zo bevestigde de HEERE Zijn verbond, en werkte Hij toe naar de komst van de Christus. In Hem zullen alle volken van de aarde gezegend worden (vs.30,33).
De nadruk ligt in deze Psalm op God Die bij Zijn volk wil wonen om Zijn volk nabij te zijn, het te beschermen, het verlossing te schenken in de weg van verzoening, en het te versterken in het geloof.
Zo komt David tot de belijdenis van de diepste troost als reden voor alle lof aan de HEERE (vs.20,21): dag aan dag overlaat Hij ons. Die God is onze zaligheid. Die God is ons een God van volkomen zaligheid; bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.’
Hoe slaat vers 19 op Ef. 4:8-11 (zie ook 2 Sam. 6:17v)?
Zingen: Ps. 68:7,8
