LEZEN: Openb. 10:1-11: … En ik nam het boekje uit de hand van de Engel en at het op, en het was in mijn mond zoet als honing, maar toen ik het opgegeten had, werd mijn buik bitter. En Hij zei tegen mij: U moet opnieuw profeteren …
Johannes ziet nu een andere Engel komen. Hij lijkt op de Engel des HEEREN, de verhoogde Christus. Hij is bekleed met een wolk als teken van goddelijkheid, met een regenboog boven Zijn hoofd, wijzend op Zijn onveranderlijke trouw. Zijn gezicht is als de zon (Openb. 1:16).
Ondanks de verharding in de wereld, laat God Zijn evangelie horen. Deze engel is niet Christus Zelf (vergelijk Openb. 5:2) maar spreekt namens Christus.
Het boekje in Zijn hand bevat het spreken van God: zeven donderslagen (Ex. 19:16,19). Johannes mag de woorden van deze donderslagen niet opschrijven. Ze moeten niet bekend worden. God openbaart niet alles van wat spoedig moet gebeuren met deze wereld. Johannes moet die zeven donderslagen verzegelen: ze blijven een geheimenis, ook voor de kerk.
Het klinkt onheilspellend, maar dan zweert de Engel bij de almachtige Schepper van hemel en aarde met alles wat daarin is dat God geen uitstel meer zal geven. Het gaat richting de voltooiing van alle dingen. Het eindgericht dat verschrikkelijk is voor allen die zich niet bekeren, maar ook de verlossing waar heel de schepping naar uitziet.
God gaat Zijn beloften vervullen die Hij aan Zijn dienstknechten, de profeten, heeft bekend gemaakt. Dat gebeurt bij de zevende bazuin.
Het boekje, de boekrol van Openb. 5:2,5,7,9, waarin staat wat spoedig moet gebeuren, moet Johannes opeten. Het opeten is het zich eigen maken van Gods Woord: Hij ervaart in zijn mond het zoete van het Evangelie van verlossing en eeuwig leven bij het aannemen van dit Woord. Maar in de buik voelt hij ook het bittere van het verzet tegen Gods Woord en het lijden dat de trouwe gelovigen moeten ondergaan (1:9). Toch moet de verkondiging van dat evangelie doorgaan!
Waarom verbergt God voor ons toekomstige zaken?
Zingen: Ps. 97:1,5
