LEZEN: Rom. 3:9-20: … Er is niemand rechtvaardig, ook niet één …
Paulus zet zijn betoog voort. Het loopt erop uit dat werkelijk alle mensen, niet één uitgezonderd, vanwege hun zonden Gods toorn verdienen. Allen leven in strijd met Gods geopenbaarde wil, de wet. Joden en heidenen.
Niemand kan er zich op beroemen dat hij van zichzelf beter is dan anderen. Joden niet, maar ook christenen niet. Niemand is zelf rechtvaardig voor God: niemand staat in een rechte verhouding tot God, voldoet aan Zijn wet en is onschuldig.
Bovendien laat niemand zich door Gods Woord leiden (vs.11) omdat men van zichzelf God niet zoekt.
De Joden hebben dan wel voorrechten; ze hebben zelfs het Woord van God, het Oude Testament (vs.2). Maar dat geeft hen geen recht zich beter te voelen dan anderen. De Heere kan zelfs meer van hen vragen.
Maar ook voor hen geldt dat ze van Hem afdwalen, niet dienstbaar zijn in Zijn Koninkrijk. Er is niemand die in de ogen van de HEERE uit zichzelf iets goeds doet.
De verzen 13-18 maken duidelijk hoe de zondige aard blijkt uit denken, spreken en handelen. Het hele menszijn is zondig en schuldig.
Paulus toont dit aan met aanhalingen uit het Oude Testament, die hij als geheel “wet” noemt (vs.19). Hij besluit met een conclusie: “De vrede Gods staat hun niet voor ogen” (Ps.36:2): de mens wil van zichzelf zelfs geen verzoening met God.
In de Heidelbergse Catechismus belijden we dat als gelovigen in zondag 2: “naar mijn aard ben ik erop uit om God en mijn naaste te haten”. De conclusie van Paulus kan niet anders zijn dan dat de hele wereld, inclusief de Joden, doemwaardig voor God is. Daar kan niemand iets tegen in brengen.
Je kunt tegenover God geen enkel beroep doen op eigen goede werken. Het naleven van de wet levert namelijk geen vrijspraak op, wel inzicht in je vele zonden.
Hebben deze woorden van Paulus ook betrekking op onszelf?
Zingen: Ps. 51:3
