LEZEN: Deut. 6:1-9
… Wie zegt Ik ken Hem, en Zijn geboden niet in acht neemt, is een leugenaar … Wie zegt in Hem te blijven moet ook zelf zo wandelen als Hij gewandeld heeft.- 1 Joh. 2:3-6
Johannes zet zijn betoog voort over gemeenschap hebben met God en Christus, en onderling in de kerk. Voor die gemeenschap mag je je zonden niet ontkennen, dan lieg je tegen God. Je hebt steeds verzoening nodig door Christus’ bloed en Zijn voorspraak.
Maar er is nog meer nodig voor de gemeenschap met God. Je zult Hem ook echt moeten kennen; dat is in de Bijbel: liefhebben, met en voor Hem leven in vertrouwelijke gemeenschap.
Johannes stelt nu dat voor het kennen van God en Hem liefhebben, nodig is dat je Gods geboden in acht neemt (2:4). Dat is dat je deze overdenkt èn uitvoert. Als je je niet bekommert om Gods geboden, betekent dit dat je de Heere niet werkelijk liefhebt. In dat geval ken en erken je Hem niet. Beweer je van wel, dan ben je een leugenaar. Daaruit blijkt dat de waarheid niet in je is (2:4).
Kennen is een zaak van het hart! Zie Jer. 31:31-34 en Hebr. 8:10,11. In vers 4 en 5 klinken dus weer radicale woorden uit de mond van de apostel Johannes. Ze zetten je op scherp: Gods geboden van harte in acht nemen of niet, betekent God van harte liefhebben of niet. Gemeenschap hebben of niet. In Hem zijn of niet.
Als je God van harte dient naar Zijn Woord, is de liefde van God volmaakt geworden. Dat wil zeggen dat Gods liefde, die de Geest in je uitstort (Rom. 5:5), dan tot zijn doel is gekomen: je beantwoordt Gods liefde met jouw wederliefde. Dan is er gemeenschap: Hij in ons en wij in Hem. Dat wordt ons dan duidelijk: hierdoor weten we het (v.3).
De liefde tot God waarmee je in Hem blijft, werd al door Mozes aangewezen in Deut. 6:5,6: Gods geboden doen uit liefde tot Hem. De Heere Jezus Zelf wees daarop in Matt. 22: 37-40, Joh.14:23,24. Onze liefde moet blijken uit ons wandelen met God zoals Christus dat liet zien.
Is liefde tot God alleen zaak van gevoel?
Zingen: Ps. 25:5
