LEZEN: 1 Sam. 15:24-35
… De HEERE heeft vandaag het koningschap van Israël van u afgescheurd en het aan uw naaste gegeven, die beter is dan u. Ook liegt de Onveranderlijke van Israël niet, en Hij heeft er geen berouw over; want Hij is geen mens, …– 1 Sam. 15:28,29
Met bewuste ongehoorzaamheid aan de HEERE verwerp je Gods Woord en keer je je af van God Zelf. Zo was dit bij de zondeval, zo is het hier ook bij Saul. Vers 11 zegt: “Saul heeft zich van achter Mij afgekeerd en Mijn woorden niet uitgevoerd”. Maar Saul heeft dit nu toch tegenover Samuel erkend (vs.24)? Vraagt hij niet om vergeving (vs.25)? Waarom krijgt Saul dan zo’n zwaar oordeel in vers 26? Is God niet genadig en vergevend?
Ja, maar is het berouw van Sauls oprecht? Hij erkent pas, nadat hij eerst alles heeft ontkend en de schuld op het volk heeft geschoven. Hij spreekt pas over zonde na Gods verpletterend oordeel.
Saul vraagt bovendien geen vergeving aan de HEERE, maar aan Samuel. Hij wil tegenover het volk geen slecht figuur slaan. Samen een offer brengen zal hem goed doen lijken. Er is dus geen oprechte inkeer.
Bij Saul staat eigen eer voorop, niet de eer van God. Het is zoals bij Judas, droefheid van de wereld vanwege de gevolgen van de zonde, niet vanwege de zonde zelf, dat hij God heeft gekrenkt (2 Kor. 7:10). Het oordeel van de HEERE komt over een gewaarschuwd mens met een bewuste zonde.
Als Saul een stuk van Samuels mantel afscheurt, gebruikt Samuel dit als teken van Gods oordeel. Dat Hij als trouwe en onveranderlijke God zo beslist is in Zijn oordeel en handelen (vs.29) betekent niet dat het Hem gemakkelijk valt. In vers 11 staat het in menselijke taal: “Ik heb er berouw over dat Ik Saul tot koning aangesteld heb”.
Saul heeft God bedroefd. Dat had Saul moeten opmerken om tot ware ootmoed en droefheid naar Gods wil te komen. God gaat nu verder met een andere man, die beter is dan Saul (vs.28), een man naar Zijn hart (1 Sam. 13:14), David. God zet Zijn heilsplan voort richting de komst van Zijn Zoon (Hebr. 10:5-10).
Herken je droefheid naar Gods wil (2 Kor. 2:7)?
Zingen: Ps. 50:4,7
