M.b.t. de zaak van het vrouwenstemrecht hebben we nu gekeken naar de vraag of het gaat om recht of roeping. Ook gaven we aandacht aan de scheppingsorde, zoals daar in het NT naar verwezen wordt als het gaat om de positie van de vrouw in de kerk.
We vragen nu de aandacht voor een ander aspect van de discussie dat telkens weer een rol speelt: de vraag of stemmen bij de verkiezing van ambtsdragers een vorm van regeren is of niet. Uitoefenen van het regeerambt of niet.
Is stemmen regeren?
Wat is regeren? Als je in woordenboeken gaat zoeken vind je begrippen als beheersen, met gezag opleggen, leiden, verplicht opleggen …..
Bij de verkiezing van ambtsdragers is dat aan de orde bij het stemmen. Uitgebrachte stemmen zijn beslissend voor de vraag wie ambtsdrager wordt. De uitslag van een stemming is iets waar de kerkenraad niet omheen kan. Die is doorslaggevend. Bindend. Bij alle andere onderdelen van de verkiezing heeft de kerkenraad de leiding en neemt die de beslissingen. Maar bij de stemming geeft de kerkenraad de beslissing, naar Bijbels voorbeeld, uit handen. Dan is er een moment van regeren, van beslissend spreken, voor alle broeders in de gemeente. Wat uit de stemming komt is voor de kerkenraad verplicht om uit te voeren.
Ja, stemmen is dan regeren. Of, om het in synodetaal te zeggen: uitoefenen van regeermacht.
Niet spreken met gezag
Dat aan de zusters in de gemeente het niet is toegestaan om regeermacht uit te oefenen, daar zijn de kerken het, tot aan de discussie over de vrouw in het ambt, in de kerkelijke vergaderingen in meerderheid wel over eens geweest. O.a. op grond van de zogenaamde “zwijgteksten”. We denken aan I Korinthe 14: 34 en 35: “Laten uw vrouwen in de gemeenten zwijgen. Het is hun immers niet toegestaan te spreken, maar bevolen onderdanig te zijn, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen leren, laten zij dat dan thuis aan hun eigen man vragen. Het is immers schandelijk voor vrouwen om in de gemeente te spreken.”
Of I Timotheüs 2: 11-14:” Een vrouw moet zich laten onderwijzen in stilheid, in alle onderdanigheid. Want ik sta niet toe dat een vrouw onderwijs geeft, en ook niet dat zij de man overheerst, maar ik wil dat zij zich stil houdt. Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. En niet Adam is misleid, maar de vrouw is, toen zij misleid werd, tot overtreding gekomen.”
We gaan deze teksten niet diepgaand uitspitten. Dat hoeft ook niet. Duidelijk is dat in de gemeente de vrouw niet met gezag mag spreken.
Nogmaals: ook stemmen is dus een vorm van spreken. Spreken met gezag: de kerkenraad is verplicht de uitkomst van dat spreken te aanvaarden. In die zin is stemmen dus uitoefenen van het regeerambt, van het met gezag ‘opleggen’.
Regel in de kerken
Op de eerste generale synode van onze kerken na de Vrijmaking van 2003, in Mariënberg, 2005, werd besloten dat “de besluiten van de GS Ommen 1993 en GS Berkel en Rodenrijs 1996 t.a.v. het vrouwenstemrecht, vervallen zijn en dat de kerken daaraan niet meer gebonden zijn. Voorts, dat de kerken in dit opzicht handhaven het besluit van Groningen-Zuid 1978, artikel 287.”
Dat is sindsdien de regel in de kerken. Daaraan zijn we gebonden. Uiteraard heeft de synode dit besluit voorzien van gronden. Bijbelse gronden. Als het gaat om de vraag of stemmen een vorm van regeren is spreekt de synode uit dat dit inderdaad zo is. De synode geeft als grond: “dat de stemming in het geheel van de verkiezing een beslissend karakter draagt. Dat geldt niet voor het vestigen van de aandacht van de kerkenraad op geschikte broeders, en evenmin voor de approbatie (stilzwijgende goedkeuring), dan wel bij het inbrengen van bezwaren tegen een verkozen broeder; in deze gevallen is het de kerkenraad die zijn beslissend oordeel geeft over de aanwijzing of het bezwaar. Echter bij de stemming is de kerkeraad gebonden aan de inbreng van de gemeente. Hij dient zich te houden aan wie de meerderheid van de gemeente heeft gekozen (art. 20 KO). GS Groningen-Zuid 1978 heeft het stemmen terecht beschouwd als een vorm van regeren.” (0nderstreping TLB)
Kerkrecht
In dit verband is het ook de moeite waard om te lezen wat de bekende kerkrechtdeskundige dr. H. Bouwman schrijft in zijn uitleg van de kerkorde en het kerkrecht. (Het werk van dr. Bouwman heeft nog altijd groot gezag in de kerken):
“Het is waar, dat de H. Schrift zich over het vrouwenkiesrecht niet rechtstreeks uitspreekt. Doch zooals in het „Rapport inzake het vrouwenkiesrecht”, ingediend op de Gen. Synode van Groningen, 1927, terecht is gezegd, worden bij verkiezing van Matthias en de diakenen (Hand. 1 en 6) alleen de mannen tot het verkiezingswerk opgeroepen. Deze handelwijze is geheel in overeenstemming met de plaats, die de vrouw in de H. Schrift heeft, en met den regel, dat de vrouw niet een leidende positie inneemt. De verklaring van dit feit, dat alleen de man deelneemt aan de verkiezing, mag niet daarin gezocht worden, dat de apostelen toen nog niet het rechte inzicht hadden in de plaats, die der vrouw in de gemeente toekomt, en dat de apostel Paulus eerst later dat inzicht zou hebben ontvangen, toen hij in Gal. 3: 28 het groote beginsel verkondigde, dat in Christus is „geen man en vrouw”, want dan zou men tekort doen aan het woord van Christus, die aan zijne apostelen beloofd heeft, dat de H. Geest hen in alle waarheid zou leiden, en aan de bijzondere genade des Geestes, die de apostelen op den Pinksterdag hebben ontvangen.”[i]
Groningen-Zuid 1978
Op de GS te Groningen-Zuid werden bezwaren behandeld tegen het besluit van de GS Arnhem 1930. Arnhem sprak, in vervolg op de GS 1927, o.a. uit dat stemmen een daad van regeren is. Daarbij maakte de synode gebruik van de termen “algemene regeermacht” en “bijzondere regeermacht”. Een wat vreemde onderscheiding die zo niet uit de Schrift is af te leiden. De conclusie van Groningen-Zuid was dan ook dat de gronden van het besluit van Arnhem gebreken vertonen maar dat het besluit zelf wel naar de Schrift is.
Op de GS Groningen lagen over het vrouwenkiesrecht twee rapporten. Een meerderheidsrapport van vier deputaten en een minderheidsrapport van twee deputaten. Het meerderheidsrapport geeft een nadere onderbouwing van ‘Arnhem’. Het minderheidsrapport pleit voor invoering van het vrouwenstemrecht. [ii]
Het is interessant om de argumenten van het minderheidsvoorstel te lezen m.b.t. de vraag of stemmen meeregeren is:
“6. dit kiezen is een door de kerkeraad geleid gemeenschappelijk handelen van kerkeraad en gemeente, waarin de gemeenteleden niet deelnemen aan de regering van de kerk, maar waarin de kerkeraad de gemeente bij het voortgaand opmerken van de gaven in de roeping tot het ambt krachtens haar pinkstermondigheid betrekt; …………
8. in het uitbrengen van haar stem ‘geeft’ de vrouw geen ‘onderricht’ aan de gemeente, maar geeft zij, samen met de andere belijdende leden der gemeente, baar oordeel aan de kerkeraad; haar stem vormt samen met de andere stemmen de stem van de gemeente; …………..
9. in het uitbrengen van haar stem ‘heeft’ de vrouw geen ‘gezag’ over de man, maar schikt zij zich, samen met de andere belijdende leden der gemeente, onder het beleid en het gezag van de kerkeraad.”
Stemmen zou dus geen meeregeren zijn maar “een voortgaand opmerken van de gaven” in de gemeente. En het gaat om de stem van de hele gemeente. Dat zou niet in strijd zijn met wat de Bijbel zegt over de positie van de vrouw.
Na uitvoerige discussie wordt het minderheidsvoorstel verworpen en wordt het besluit van ‘Arnhem’ dus gehandhaafd.
Het is de moeite waard om een en ander eens na te lezen in de acta en na te gaan wat nu de gronden voor en tegen waren.
Ommen
En wat zei dan de generale synode van Ommen in 1993? Wat vond die synode van de vraag of stemmen regeren is?
Decennia lang, bijna honderd jaar, hebben de kerken onder Gods leiding gehandhaafd dat stemmen in Bijbelse zin een daad van regeren is. In 1930 gebeurde dat, in 1964/1965, in 1978. Ook als we kijken naar de geschiedenis van de kerk door de eeuwen heen, dan blijkt dat steeds de zusters in de gemeente geen stem uitbrengen.
Maar in de vorige eeuw werd het onderwerp steeds opnieuw op de agenda gezet. En in 1993 gingen de kerken om.
De synode van Ommen voerde mooi klinkende redeneringen aan om dat beslissende van de stemming aan de kant te schuiven.[iii]
Ze stelde dat de stemming wel een ‘bindend karakter’ heeft, maar dat dit berust op een door de kerkeraad aanvaarde regel (art. 20 KO); dat is dan ook geen afdoen van de leiding van de kerkeraad, want de kerkenraad heeft die regel zelf aanvaard. Dus is er geen spraken van oefenen van regeermacht. (We geven de tekst in eigen woorden weer).
De stemming mag ook niet uit het geheel van de verkiezing geïsoleerd worden tot een op zichzelf staande beslissende handeling met een ‘bindend karakter’, en de hele verkiezing staat onder gezag van de kerkenraad.
Bovendien is stemmen niet ‘vrij’, in die zin dat de gemeente geregeerd wordt door Woord en Geest, daarom heeft het stemmen geen eigen gezaghebbende betekenis.
Het zijn merkwaardige redeneringen. Verwarrend. Niet logisch. Als je een deel van de regeermacht in handen geeft van de gemeente, dan is dat toch heel eenvoudig meeregeren? Het lijkt er op dat hier door Ommen een “taalspel” gespeeld werd.
Ook stelde Ommen dat de vrouw in de gemeente inderdaad niet het regeerambt mag uitoefenen maar dat nergens in de Bijbel een rechtstreeks verbod tegen het uitbrengen van een stem door vrouwen te vinden is.
Nu, er zijn wel meer vragen waarop het antwoord niet rèchtstreeks in de Bijbel te vinden is maar wel heel duidelijk uit de Schrift is àf te leiden.
Berkel en Rodenrijs
De generale synode van Berkel en Rodenrijs bekrachtigde het oordeel van Ommen.[iv]
“Het is de kerkeraad die beoordeelt of bepaalde broeders geschikt zijn voor het ambt van ouderling of diaken. Dat oordeel legt de kerkeraad vast in de talstelling. Wie stemt doet niet meer dan een voorkeur uitspreken ten aanzien van een broeder die, vanuit de normen van de Schrift gezien, evenzeer gekwalificeerd is als de broeder die met hem op tal staat. De kerkeraad behoudt in het geheel van de verkiezing de leiding, ook wanneer hij gebonden is aan de uitslag van de stemming. Dat hij aan die uitslag gebonden is, vloeit vanzelfsprekend voort uit de talstelling. Wanneer de kerkeraad met de talstelling uitspreekt alle genoemde broeders bekwaam te achten voor het te vervullen ambt is het ondenkbaar dat hij na de talstelling niet zonder meer tot benoeming zou overgaan. Het moet dan ook onjuist genoemd worden wanneer de stemming, en dus de stem van de zusters in de gemeente, de zware lading krijgt die door diverse appellanten daaraan gegeven wordt.”
Het komt er op neer dat we aan die beslissende stem niet zoveel gewicht moeten hechten. Stemmen zou niet meer zijn dan het uitspreken van een voorkeur …….
Nogmaals Mariënberg
De generale synode van Mariënberg in 2005, de eerste synode na de Vrijmaking van 2003, heeft al dat redeneren verworpen en stelde opnieuw: een beslissende stem uitbrengen is regeren en dat komt de zusters in de gemeente niet toe.
Er zijn nog meer zaken die een rol spelen in het gesprek over vrouwenstemrecht. Daar hopen we in volgende artikelen op in te gaan.
(wordt vervolgd)
[i] H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht, 1934, pag. 389
[ii] Acta Generale Synode Groningen-Zuid 1978, artikel 270 e.v.
[iii] Acta Generale Synode Ommen 1993, hoofdstuk 2 kerkregering, artikel 24, acta Generale Synode Mariënberg 2005, hoofdstuk 2 kerkregering, artikel 25
[iv] Acta Generale Synode Berkel en Rodenrijs 1996, artikel 29
