M.b.t. de zaak van het vrouwenstemrecht hebben we nu aandacht besteed aan de vraag ‘roeping of recht’, de scheppingsorde en de vraag of stemmen regeren is.
Zoals Christus en Zijn gemeente
We willen nu kijken naar een ander belangrijk stuk onderwijs in de Bijbel. In het Nieuwe Testament wordt de verhouding tussen man en vrouw vergeleken met de verhouding van Christus met zijn gemeente.
“Maar ik wil dat u weet dat Christus het Hoofd is van iedere man en de man het hoofd van de vrouw; en God het Hoofd van Christus.” (I Korinthe 11: 3)
Dit woord van Paulus geldt niet alleen binnen het huwelijk. Door sommigen wordt dat wel zo uitgelegd. Gewezen wordt dan o.a. op Efeze 5: 22-24. Maar dat is niet juist. Hier in I Korinthe 11 heeft Paulus het oog op iedere man en iedere vrouw. Dat blijkt ook uit de Griekse grondtekst, uit de woorden die daar gebruikt worden. Dat blijkt ook uit het vervolg van deze perikoop in I Korinthe. Paulus geeft na vers 3 een aantal aanwijzingen die allemaal gelden voor de man en de vrouw in de kerk in het algemeen. [i]
Gezagsverhouding
Niemand zal ontkennen dat Christus gezag heeft over Zijn gemeente. Dat is een eenvoudige Bijbelse waarheid. In de verhouding Christus – gemeente is Hij de Eerste. Gelovige kerkleden luisteren naar Zijn Woord. Ze zijn aan hun Hoofd Christus gehoorzaam en onderdanig. En in de verschillende positie van man en vrouw in de gemeente mag, nee, móet dat beeld van Christus en Zijn gemeente zichtbaar worden. Als het gaat om het regeren van de gemeente, om het spreken met gezag, om het samenleven in de gemeente, dan is er die verhouding. Dan is er sprake van gezag. Dan is de man de eerste.
Hoe we daar mee omgaan, in het dagelijks leven, in allerlei verhoudingen, daar kunnen we nog heel veel over discussiëren. Maar als het gaat om de verkiezing van ambtsdragers, om in de gemeente een beslissende stem uit te brengen, dan heeft dit Bijbelwoord ons veel te zeggen. Dan hebben de broeders in de gemeente de roeping om te regeren en dan hebben de zusters zich daarin te schikken. Zoals de gemeente, de bruid van Christus, zich schikt naar haar Hoofd en niet zelf regeert. Zo brengen de zusters ook geen zelfstandige stem uit.
Dat wordt ook helder uit I Timotheüs 3: 11 en 12: “Een vrouw moet zich laten onderwijzen in stilheid, in alle onderdanigheid. Want ik sta niet toe dat een vrouw onderwijs geeft, en ook niet dat zij de man overheerst, maar ik wil dat zij zich stil houdt.”
Stil houden, dat betekent natuurlijk niet dat zusters niet mogen praten. Maar wel dat ze in de kerk de man voor laten gaan. En hem de gelegenheid geven om werkelijk hoofd te zijn, naar het beeld van Christus en Zijn gemeente.
Door God ingegeven
We kunnen daar lacherig over doen. We kunnen flauwe grappen maken. We kunnen vaststellen dat zulk spreken niet meer van deze tijd is. We kunnen die verhouding negeren omdat het ons tegenstaat.
Maar dan moeten we één ding niet vergeten: dit zijn niet zomaar de woorden van een apostel Paulus. Het zijn de woorden van God, gesproken door de mond van deze bijzondere ambtsdragers. Gods eigen woorden.
“Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid, opdat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust.” (I Timoteüs 3: 16, 17).
Geestelijke eenheid
En ja, dat spreken door de apostel Paulus heeft dan ook betrekking op de gezinnen in de gemeente. Op het christelijk huwelijk.
Ons huwelijksformulier geeft dit als volgt weer: “Zoals Christus het Hoofd is van de kerk, en gezag over haar heeft, zo heeft de man als hoofd gezag over zijn vrouw.” (Gereformeerd Kerkboek 1984, Pag. 557).
In Christus is het gezin een eenheid. Een gelovige, een geestelijke eenheid. En in de kerk treedt een getrouwde broeder voor zijn gezin op. Dat is helemaal in overeenstemming met wat we lezen in de Bijbel. Dat is helemaal in overeenstemming met het beeld van Christus en Zijn gemeente.
Als het dan gaat om het vrouwenstemrecht, om het uitbrengen van een beslissende stem, om het uitoefenen van regeermacht, dan kan het toch niet zo zijn dat een getrouwde vrouw een andere, eigen stem uitbrengt? Misschien zelfs tegengesteld aan die van haar man? Met heel andere inzichten m.b.t. de gaven die Timotheüs en Titus beschrijven?
Als een gehuwde zuster een eigen zelfstandige stem zou uitbrengen, dan tast dat juist die eenheid in Christus aan. Dan verbreekt dat het beeld van de eenheid die er is tussen Christus en zijn gemeente.
Vragen
“Laten uw vrouwen in de gemeenten zwijgen. Het is hun immers niet toegestaan te spreken, maar bevolen onderdanig te zijn, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen leren, laten zij dat dan thuis aan hun eigen man vragen. Het is immers schandelijk voor vrouwen om in de gemeente te spreken.” (I Korinthe 14: 34, 35).
Aan hun eigen man vragen …. Thuis als man en vrouw met elkaar overleggen. Samen bespreken: wie in onze gemeente zien we gesierd met de gaven voor het bijzonder ambt? En de vrouw kan dan haar inbreng hebben. Haar wijsheid inbrengen. Heel goed. We denken en hopen dat het in de meeste kerkgezinnen zo toegaat. Maar het is de man die, als dat nodig is, als er geen volledige overeenstemming is, de eindbeslissing neemt en de stem uitbrengt in het midden van de gemeente.
Gebrokenheid
De genoemde teksten hebben dus niet alleen betrekking op gehuwde vrouwen maar op alle zusters in de kerk, ook op ongehuwde.
Soms hoor je zeggen: dat is leuk, dat thuis overleggen e.d. Maar hoe zit het dan met die ongehuwde zusters? Een getrouwde zuster is tenminste nog via haar man betrokken bij de verkiezing maar een alleenstaande zuster, een weduwe of een gescheiden zuster heeft niets. Dat kan toch niet goed zijn?
Dan moeten we een paar dingen bedenken.
In de eerste plaats moeten we kijken naar het hele verkiezingsproces. Dat begint met het opgeven van namen. Dat eindigt met het instemmen met de benoeming van broeders. En, niet te vergeten, het persoonlijk en gezamenlijk gebed om leiding van de Heilige Geest. In die zaken zijn ook àlle zusters betrokken.
In de tweede plaats: het gaat er niet om dat wij, mensen, in de kerk tot ons recht komen. Als we dat zo voelen, dan hebben we nog niet begrepen waar het om gaat. Het gaat erom dat de Heere aan Zijn eer komt.
In de derde plaats: ja, soms kan dat inderdaad vervelende en verdrietige gevoelens oproepen. Dat mogen we ook heel serieus nemen. Maar heel vaak blijkt de grootste, de onderliggende moeite niet het stemmen op zich. Maar ten diepste het alleen zijn. Doordat de Heere geen echtgenoot heeft gegeven. Of die al heeft weggenomen. Door sterven of scheiden of verlating. Dat kan verdriet en strijd geven. Dan stuiten we op de gebrokenheid van het leven na de zondeval. Maar dat is geen reden om dan de woorden van de Bijbel te negeren. Dan mogen we rust vinden in Christus. Niets in ons leven gaat buiten de Heere om. Ook het alleen zijn niet. Ook al begrijpen we dingen niet, ook al zien we niet hóe het voor ons ten goede is, dat is het wel. Dat belijden we gelovig in Zondag 10, waar we uitspreken wat de voorzienigheid van God is: “De almachtige en tegenwoordige kracht van God, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en zó regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen.”
En dat weten we “Om in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar te zijn en voor de toekomst dit vaste vertrouwen te hebben in onze trouwe God en Vader, dat geen schepsel ons van zijn liefde scheiden zal.”
In volgende artikelen hopen we nog in te gaan op de invloed van de tijdgeest en op de vraag of er geen sprake is van een bovenschriftuurlijke binding als aan de zusters het stemrecht onthouden wordt.
(wordt vervolgd)
[i] We maken hierbij o.a. gebruik van de volgende bronnen:
- ‘Man en vrouw in Bijbels perspectief’, ds. C. den Boer, Kok, Kampen, 1987, pag. 88-90;
- ‘Vrouw, wie ben je?’, uitgave door de Bond van Gereformeerde Meisjesverenigingen, Groningen, 1988, hieruit ds. T. Dekker, Hoofd en hulp-een gezagsverhouding?, pag. 30-34;
- ‘Emancipatie en Bijbel’, dr. J. van Bruggen, Ton Bolland, Amsterdam, 1984, pag. 29-38.
