LEZEN: 2 Kon. 25:1-30: … Nebukadnezar … en heel zijn leger .. belegerden de stad … hongersnood … grepen zij de koning … slachten af … verbrandden het huis van de HEERE … over het volk dat in het land van Juda overgebleven was … stelde hij Gedalia aan … Ismaël … sloegen Gedalia neer … en zij gingen naar Egypte … Jojachin … gratie … al de dagen van zijn leven.
De HEERE is eeuwenlang lankmoedig geweest bij de afval van Zijn volk. Maar Hij blijft ook rechtvaardig. Hij houdt zonder bekering de schuldige niet voor onschuldig. Nu komt de straf van Deut. 32 ook voor Juda nadat het tienstammenrijk al door de Assyriërs is weggevoerd.
Nebukadnezar reageert op de opstand van Zedekia en gaat opnieuw naar Jeruzalem. De stad wordt niet langer bewaard door de HEERE maar valt na twee jaar belegering ten prooi aan de Babyloniërs.
Velen zijn al door hongersnood omgekomen. Bij een poging tot ontvluchten wordt Zedekia verschrikkelijk gestraft: zijn zonen worden voor zijn ogen afgeslacht en zelf wordt hij blind gemaakt.
Daarna wordt heel Jeruzalem verbrand, te beginnen met de tempel van de HEERE. Alles van de tempel gaat eraan, waardevolle spullen worden meegeroofd. Het volk was het niet waard! Ook een waarschuwing voor ons!
De bevelhebber Nebuzaradan laat enkelen achter om het land te verzorgen en het niet te laten verwilderen (vs.12). Over hen stelt hij Gedalja aan. Ook gaat er een groep naar Egypte (zie Jer. 40:1-43:7).
Gedalja stelt de achtergebleven gerust: als ze de koning van Babel gehoorzamen, hebben ze niets te vrezen. Dan komt er opstand tegen Gedalja waarbij hij wordt vermoord (zie Jer. 40:13-41:15). De verraders vluchten met het achtergebleven volk naar Egypte.
Jojachin wordt na 37 jaar in Babel gratie verleend. Hij krijgt het goed aan het hof van de koning. Uit zijn nageslacht zal via Sealthiël en kleinzoon Zerubbabel, de Messias worden geboren (Matt. 1:11v)!
Ondanks alle ontrouw, ja, goddeloosheid van het voorgeslacht blijft God trouw aan Zijn belofte! Hoe nietig Gods volk ook wordt, aan Hem en de Zijnen is de eindoverwinning.
Wat is voor ons de troost van dit hoofdstuk?
Zingen: Ps. 108:2,4
