LEZEN: Jona 1:2: … Sta op ga … en predik tegen haar … hun kwaad …
De goddeloosheid van Ninevé is te vergelijken met die van de steden Sodom en Gomorra, die door de HEERE ondersteboven gekeerd zijn. Het kwaad is opgestegen tot Gods aangezicht: het roept om Gods oordeel. Het betreft zonden zoals we die ook nu in de wereld zien: liederlijkheid, zedeloosheid, onrecht, geweld, godslastering en andere afschuwelijke zaken.
God let niet alleen op de zonden bij zijn eigen volk. Maar zeker ook op die in de wereld. Want ook de wereld heeft Hij gemaakt tot Zijn eer. Toch gaat het God zeer ter harte als zondaren verloren gaan (Ez. 18:23). Honderd jaar later zal overigens Gods oordeel werkelijk over Ninevé losbarsten, dan zal er vrijwel niets van overblijven (zie Nahum).
Zo krijgt Jona de opdracht om naar Ninevé te gaan; dat bevel komt met goddelijk gezag dat onderwerping vraagt. Gods Woord vraagt ook van ons om dingen te doen die wij erg moeilijk vinden. Maar God vraagt nooit het onmogelijke, omdat Hij Zelf ook voor de uitvoering garant staat.
Tot aan de jongste dag houdt elke strafaankondiging nog een oproep in tot bekering. Zolang er een heden van genade is. God wil niet dat één van de Zijnen verloren gaat. Daarom stelt Hij in Zijn lankmoedigheid het oordeel over de goddeloze wereld nog uit (2 Petr. 3:9,15).
Ook wij hebben de roeping om tegen een goddeloze wereld te prediken. In Openb. 11:3 staat dat de HEERE opdracht geeft aan Zijn twee getuigen om met een zak bekleed te profeteren, 1260 dagen lang. Deze twee getuigen staan voor de kerk. En de genoemde 1260 dagen staan voor de tijd tussen Hemelvaart en Wederkomst. De door de kerk afgeroepen gerichten (Openb. 11:6) zijn te beschouwen als voorboden van het laatste oordeel.
Misschien komt deze opdracht bedreigend op ons af? Wat zullen de mensen er wel niet van denken als wij hen zouden aanspreken over een naderend oordeel? Maar de twee getuigen doen het, al kost het zelfs hun leven (Openb. 11:7, 8)!
Jona moet naar een uiterst goddeloze stad. Maar de opdracht komt van God, dus heeft hij gewoon te gaan. Want God is dan toch bij hem? In Amos 3:8 lezen we: “De leeuw heeft gebruld. Wie zou niet bevreesd zijn? De Heere HEERE heeft gesproken. Wie zou niet profeteren?”
Hoe geven wij in onze tijd vorm aan deze opdracht?
Zingen: Ps. 40:5
